english | nederlands

RC 45 Geistliches Lied (“Wenn ich ihn nur habe”)

tekstbron

Novalis Schriften Vol. II (Berlin: G. Reimer, 1837 5th edition), 27-28

eerste uitvoering

14 november 1899 Utrecht, Pieterskerk

opnamen

  • Memorare KRO 94009

uitgaven

  • Geistliches Lied (N° 5 aus Novalis’ “Geistliche Lieder”) Alsbach & Co, G. (Amsterdam) 2658432

  • Geistliches Lied (“Wenn ich ihn nur habe”)
  • Novalis
  • sopraan en orgel
  • 9 november 1898
  • duur 5:35

Het werk van Friedrich Leopold von Hardenberg (1772-1801), beter bekend onder zijn pseudoniem Novalis, lag Diepenbrock na aan het hart. Zijn grote waardering voor het gedachtegoed van de Duitse dichter en filosoof blijkt telkens weer uit zijn brieven en ook in zijn essays legt hij meermaals zijn bewondering aan de dag voor de wonderteere bloemen van mystische verrukking en helderziendheid, ontbloeid in de ziel van zachtzinnige droomers als Novalis. (VG 28) Een van Diepenbrocks beschouwingen over het wezen van de muziek heeft het volgende citaat van Novalis als motto meegekregen: …meer >

Geistliches Lied (incipit)


Het werk van Friedrich Leopold von Hardenberg (1772-1801), beter bekend onder zijn pseudoniem Novalis, lag Diepenbrock na aan het hart. Zijn grote waardering voor het gedachtegoed van de Duitse dichter en filosoof blijkt telkens weer uit zijn brieven en ook in zijn essays legt hij meermaals zijn bewondering aan de dag voor de wonderteere bloemen van mystische verrukking en helderziendheid, ontbloeid in de ziel van zachtzinnige droomers als Novalis. (VG 28) Een van Diepenbrocks beschouwingen over het wezen van de muziek heeft het volgende citaat van Novalis als motto meegekregen:

“Alles Sichtbare haftet am Unsichtbaren, das Hörbare am Unhörbaren, das Fühlbare am Unfühlbaren. Vielleicht das Denkbare am Undenkbaren.” (VG:73)

Als componist was Diepenbrock vooral geïnspireerd door de mystieke lading van Novalis’ Hymnen an die Nacht. De reeks liederen op teksten uit deze bundel begint met Hinüber wall’ ich (RC 37) uit 1897 en bereikt met de twee jaar later voltooide Hymnen an die Nacht voor zangstem en orkest (RC 49 en RC 50) zijn hoogtepunt.

Voorafgaand aan de Hymnen an die Nacht is nog een tweetal composities voor sopraan met orgelbegeleiding ontstaan, op teksten uit Novalis’ in de negentiende eeuw zeer bekende bundel Geistliche Lieder. De postuum onder deze titel gepubliceerde gedichten, geschreven in 1799 en 1800, waren bedoeld als stof tot overdenking voor de protestantse gemeente. Met de mystieke, maar meestal eenvoudige kerkliederen hoopte Novalis bij te dragen aan de diepgang van de persoonlijke geloofsbeleving.

Uit deze bundel zette Diepenbrock in het najaar van 1898 eerst Wenn ich ihn nur habe, aansluitend begon hij aan Wenige wissen das Geheimnis der Liebe (RC 47). Beide liederen, door de componist doorgaans als koppel vermeld, zijn geschreven voor en opgedragen aan Aaltje Noordewier-Reddingius. Gegeven de religieuze thematiek koos Diepenbrock als vanzelf voor begeleiding door orgel. In het geval van Wenn ich ihn nur habe staan specifieke aanwijzingen voor de registratie genoteerd:

De registratie zooveel mogelijk met gambastemmen 8’ afwisselend met holpijp 8’
zoomin mogelijk fluitstemmen
tongwerken alleen bij het f aan het einde

Deze registratie wijst als het ware vooruit naar de instrumentatie die Diepenbrock in 1906 van dit lied zou maken (zie RC 72).

Ongekunstelde melodielijn

De compositie volgt de structuur van het eenvoudige gedicht – met zijn identiek beginnende strofes – op de voet. De ongekunstelde melodielijn van de zangstem (semplice) is veelal syllabisch. Een uitzondering daarop vormt het uitbundige melisma aan het slot van het derde couplet (op “durchdringen”). Een enkele maal wordt de gaande beweging (Andante con moto) in driekwartsmaat onderbroken door een maatwisseling omwille van de prosodie. Wenn ich ihn nur habe staat in in b-klein, maar bij het laatste couplet (openend met de woorden “Wo ich ihn nur habe, ist mein Vaterland”) gaat Diepenbrock definitief over naar majeur, dat daarvóór al latent aanwezig is.

Begin 1899 dacht Diepenbrock zijn beide Geistliche Lieder aan zijn vriend Charles Smulders te sturen om zijn mening te peilen. Inmiddels was hij echter geheel in beslag genomen door zijn werk aan de Hymne an die Nacht voor sopraan en orkest. Uit het feit dat Diepenbrock op 3 oktober van dat jaar Smulders vraagt om hem het manuscript van de liederen terug te sturen met het oog op een repetitie met zangeres en organist, kunnen we opmaken dat Smulders de Geistliche Lieder ter bestudering heeft meegenomen uit Amsterdam waar hij in april enige dagen verbleef om er twee concerten bij te wonen met composities van zijn hand.

Toen bleek dat Aaltje Noordewier-Reddingius Wenige wissen das Geheimnis der Liebe liever niet wilde zingen (zie RC 47), is besloten om op 14 november 1899 uitsluitend Wenn ich ihn nur habe uit te voeren in de Utrechtse Pieterskerk. Als laatste werk op het programma maakte het diepe indruk. In de woorden van een recensent:

“Na een auditie van zulk een werk voegt ons een stilzwijgen, even eerbiedig als daar hing in het ruime, gevulde kerkgebouw, nadat de laatste tonen waren weggestorven.” (BD III:554)

Hugo Nolthenius verwelkomde in Wenn ich ihn nur habe in woord en toon een meesterstuk, van nobel sympathiek gevoel en volmaakte techniek. (BD III:555)

Désirée Staverman



Wenn ich ihn nur habe,
Wenn er mein nur ist,
Wenn mein Herz bis hin zum Grabe
Seine Treue nie vergißt:
Weiß ich nichts von Leide,
Fühle nichts als Andacht, Lieb’ und Freude.

Wenn ich ihn nur habe,
Laß ich alles gern,
Folg’ an meinem Wanderstabe
Treugesinnt nur meinem Herrn;
Lasse all die Andern
Breite, lichte, volle Straßen wandern.

Wenn ich ihn nur habe,
Schlaf ich fröhlich ein.
Ewig wird zu süßer Labe
Seines Herzens Flut mir sein,
Die mit sanftem Zwingen
Alles wird erweichen und durchdringen.

Wenn ich ihn nur habe,
Hab’ ich auch die Welt;
Selig wie ein Himmelsknabe,
Der der Jungfrau Schleier hält.
Hingesenkt im Schauen
Kann mir vor dem Irdischen nicht grauen.

Wo ich ihn nur habe,
Ist mein Vaterland,
Und es fällt mir jede Gabe,
Wie ein Erbteil in die Hand.
Längst vermißte Brüder
Find’ ich nun in seinen Jüngern wieder.


  • A-41(7) Geistliches Lied “Wenn ich ihn nur habe”

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10

    A-41(7) with dedication on the title page Gecomponeerd voor Aaltje Noordewier-Reddingius and dated on the last page 9 Nov 1898; with a remark on the title page concerning the organ registration

    • 9 november 1898
    • opdracht: Gecomponeerd voor Aaltje Noordewier-Reddingius
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: 10
  • A-64(5) Geistliches Lied “Wenn ich ihn nur habe”

    A-64(5) dated on the last page 9 Nov 1898

    • 9 november 1898
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend
  • A-64(6) Geistliches Lied “Wenn ich ihn nur habe”

    ocal part A-64(6) dated on the last page 9 Nov 1898

    • 9 november 1898
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend
  • A-80(12) Geistliches Lied “Wenn ich ihn nur habe” (organ score)

    semi-autograph organ part A-80(12) dated on the last page 9 Nov 1898

    • 9 november 1898
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend

  • klik voor vergroting

    Memorare

    cd KRO 94009
    Versteeg, Marc ♦ Bartelink, Bernard ♦ Brummelstroete, Wilke te ♦ Overpelt, Robbert ♦ Vocaal Ensemble Markant

    Tracks:

  • Geistliches Lied (N° 5 aus Novalis’ “Geistliche Lieder”)

    1928 Alsbach & Co, G. (Amsterdam)

14 nov 1899: Eerste uitvoering van het Geistliches Lied (“Wenn ich ihn nur habe”) in de St. Pieterskerk te Utrecht door Aaltje Noordewier-Reddingius met orgelbegeleiding van W. Petri.

En nu, wat te zeggen over het lied van Diepenbrock voor sopraansolo en orgel dat – en dit was zeer juist en oordeelkundig gehandeld van den heer Petri – als slotnummer op het programma geplaatst was? Na een auditie van zulk een werk voegt ons een stilzwijgen, even eerbiedig als daar hing in het ruime, gevulde kerkgebouw, nadat de laatste tonen waren weggestorven. Men voelt zich vreemd staan tegenover deze uiting, die tot ons komt als een bloem uit verre, schoone landen. Het is het vijfde van Novalis' Geistliche Lieder “wenn ich ihn nur habe, wenn er mein nur ist... weiss ich nichts von Leide”, een dier heerlijke geloofsliederen, gezongen door een mysticus der vorige eeuw, dat Diepenbrock in zijn taal omzette. Wat ons trof, dat was de innige verwantschap tusschen deze beide geesten; 't is éénzelfde voelen dat beide bezielt, maar dat zich uitspreekt in gansch andere taal. — Beiden, de dichter van het woord, zoowel als de toondichter, zijn kinderen van hun tijd. Tegelijk met Novalis' liederen klonken die derRomantiker; de Hollandsche mysticus, met hoe groote liefde ook zich verdiepende in de werken der ouden, koos zich de taal der 19de eeuw. Zoo komt het dat zijn lied mist die soberheid, die stille vroomheid die wij, den tekst kennende, wellicht verwacht hadden, – zoodat wij bij het hooren onwillekeurig herinnerd werden aan de beginregels van een ander der zangen van Novalis:

Der Sänger geht auf rauhen Pfaden, Zerreisst in Dornen sein Gewand.

Maar in de nagalm van Diepenbrock's hymne, zooals we die hoorden in de meest ideale vertolking, klonk ons terug die ééne regel bovenal:

Fühle nichts als Andacht, Lieb' und Freude....

Het Centrum (L.v.B.), 15 november 1899

pdf Alle recensies voor RC 45 Geistliches Lied (“Wenn ich ihn nur habe”)