english | nederlands

RC 96* Liedren als klinkende luiten

onvoltooid werk

tekstbron

Honderd verzen en “Okeanos” van Willem Kloos (Amsterdam: ** 1909), 73
  • Liedren als klinkende luiten
  • Kloos, Willem
  • zangstem en piano
  • 20 mei 1909

Ofschoon Diepenbrock als jongeman grote bewondering had voor de poëzie van Willem Kloos en ook in later jaren vaak getroffen werd door de schoonheid van zijn verzen, heeft hij nooit een lied gemaakt op een van zijn vele gedichten. Het was tijdens Diepenbrocks studie in de klassieke talen dat de zich ontwikkelende componist bevriend raakte met de drie jaar oudere dichter, die veel voor hem is gaan betekenen. Als bezorger van de gedichten van de jonggestorven Jacques Perk (1859-1881) had Kloos de wereld van de nieuwe poëzie voor Diepenbrock ontsloten: In dat kleine boekje was voor mij voor het eerst de schoonheid van de Nederlandsche taal geopenbaard.(VG:334). Het was Kloos die hem in gesprekken opmerkzaam maakte op Novalis. …meer >

Liedren als klinkende luiten (incipit)


Ofschoon Diepenbrock als jongeman grote bewondering had voor de poëzie van Willem Kloos en ook in later jaren vaak getroffen werd door de schoonheid van zijn verzen, heeft hij nooit een lied gemaakt op een van zijn vele gedichten. Het was tijdens Diepenbrocks studie in de klassieke talen dat de zich ontwikkelende componist bevriend raakte met de drie jaar oudere dichter, die veel voor hem is gaan betekenen. Als bezorger van de gedichten van de jonggestorven Jacques Perk (1859-1881) had Kloos de wereld van de nieuwe poëzie voor Diepenbrock ontsloten: In dat kleine boekje was voor mij voor het eerst de schoonheid van de Nederlandsche taal geopenbaard.(VG:334). Het was Kloos die hem in gesprekken opmerkzaam maakte op Novalis.

In een terugblik uit 1910 spreekt Diepenbrock zich uit over de indruk die Kloos met zijn uitzonderlijke verschijning en zijn wonderlijke Delfts-blauwe oogen  had gemaakt in de studentenkringen waarin zij beiden verkeerden:

eene verschijning die er niet paste, maar die mij onuitsprekelijk weldadig aandeed [...] en waarheen mij een raadselachtig gevoel van iets als zieleverwantschap onweerstaanbaar trok. (VG:333)

Wel besefte Diepenbrock al gauw dat de muziek, die hemzelf geheel vervulde, Kloos vreemd was en koud liet. Dat was de reden waarom de componist de dichter vrijwel nooit voor uitvoeringen van zijn composities uitnodigde en vanaf 1894 de vriendschap louter onderhield in een trouwe correspondentie, die merendeels over klassieke en letterkundige onderwerpen ging.

Huldiging Kloos

Op 6 mei 1909 werd Willem Kloos in zijn woonplaats Den Haag gehuldigd ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag. Diepenbrock, die er wegens omstandigheden niet bij kon zijn, stuurde de jubilaris de volgende dag een hartelijke brief:

Immers jij toonde en tooverde voor mijn oog en verbeelding het beeld, het levende beeld van den Dichter, aan de aanschouwing waarvan ik in een tijd, toen alles nog onzeker in mij was, en ik als verloren zoon der Muze bij de philologie de zwijnen hoedde, behoefte had en die mij verkwikte, al bleven die indrukken in zekeren zin onvruchtbaar, daar ik geen dichter was met het woord! Zoo herinner ik mij nog zoo levendig onze eerste ontmoeting, en hoe ik lang met je op een voorjaarsavond van 1884 door de stad liep en je mij daarna meenam naar je kamer in de “Pijp”, de lamp opstak en mij uitlegde wat het verschil tusschen goede en slechte poëzie was. Al die herinneringen zijn mij dierbaar, evenals de manuscripten van gedichten die ik van je bezit en die ik met piëteit bewaar. (BD VI:111)

Van de bibliofiele uitgave in een vergulde leren band van Honderd verzen en “Okeanos” van Willem Kloos, een door de dichter gemaakte selectie uit zijn oeuvre van dertig jaar, kreeg Diepenbrock op 19 mei 1909 zijn genummerde exemplaar in handen. Op 20 mei voorzag hij het begin van het sonnet Liedren als klinkende luiten (nr. 66 in de bundel) van muziek. De melodie had hem al eerder voor ogen gezweefd, aangezien zij genoteerd staat op de achterzijde van een schets van Carmen saeculare (RC 52) uit 1901, en vervolgens opdook als een (later verworpen) bestanddeel van Der Abend (RC 90). Mogelijk was Diepenbrocks compositie, die beperkt bleef tot een toonzetting van de eerste twee regels van het gedicht, bedoeld als eerbetoon aan de oude vriendschap met Willem Kloos.

Ton Braas



Liedren als klinkende luiten
Liedren als klinkende luiten beloofde ik,
Liedren als vleiende windekens zoet,
Liedren zoo lieflijk en luchtig, als loofde ik
’t Liefste van alles wat ooit lieven doet.

Liedren, op ’t droevigst van alles, ontroofde ik
Ook aan den kolk van mijn lijdend gemoed,
Liedren tot rhythmische klachten verdoofde ik,
Liedren zoo smartlijk als Gods druppend bloed…

’t Lied is mij alles: op liederen zweef ik,
Daar ieder lied als een wiekslagje luidt…
Liedren zijn vogeltjes, liederen dreef ik

Als een gevleugelde schaar voor mij uit ...
Op liedren wiegend, in liedren leef ik.
Totdat de doodshand mij de oogen zacht sluit.


  • C-10(14) Liedren als klinkende luiten

    C-10(p14), 1 page dated 20 Mei 1909

    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend