english | nederlands

RC 100* Lorsque l'enfant paraît

onvoltooid werk

tekstbron

Feuilles d’automne (Paris: Hetzel 1831), 167-147 (no. XIX)
  • Lorsque l'enfant paraît
  • Hugo, Victor
  • zangstem en piano
  • 5 september 1909

De enige uitspraak die van Diepenbrock over Victor Hugo (1802-1885) bekend is, betreft de roman Notre-Dame de Paris, die hij in 1895 in een brief aan zijn aanstaande vrouw als heel mooi aanmerkte, met als toelichting: …meer >

Lorsque l'enfant (incipit)


De enige uitspraak die van Diepenbrock over Victor Hugo (1802-1885) bekend is, betreft de roman Notre-Dame de Paris, die hij in 1895 in een brief aan zijn aanstaande vrouw als heel mooi aanmerkte, met als toelichting:

Ik heb het heel lang geleden gelezen met schrik en enthoesiasme. [...] Pierre Gringoire en Claude Frollo en Esméralda heb ik me beurtelings gevoeld in dien tijd. Jammer dat Quasimodo zoo’n horreur en zoo onnoodig leelijk is. (BD II:344)

Maar over Hugo’s poëzie heeft Diepenbrock zich nooit schriftelijk uitgelaten. In zijn bibliotheek was ook geen enkele van Hugo’s talrijke dichtbundels aanwezig.

Het gedicht Lorsque l’enfant paraît schetst in de eerste vier strofen de verrukking over het pasgeboren kind. Aller ogen glinsteren bij de aanblik van het onschuldige, vrolijke wezentje. Zelfs het meest geteisterde gezicht ontspant zich. Men lacht als het de eerste stapjes zet, angstig gevolgd door de moeder. Mocht er een ernstig gesprek plaatsvinden over belangrijke thema’s als Vaderland, God of hoogstaande dichters, zodra het kind zich vertoont laat men het onderwerp vallen. De volgende vier strofen zijn één lofzang op de “double virginité” van het kind: lichaam en geest zijn nog volkomen ongerept en zuiver. Strofe 9, de laatste, behelst een bede: moge God verhoeden dat de dichter en allen die hij liefheeft, en zelfs zijn vijanden, ooit een zomer zullen zien zonder kleurige bloemen, een kooi zonder vogels, een korf zonder bijen, een huis zonder kinderen.

Diepenbrock beleefde veel vreugde aan zijn dochtertjes Joanna en Thea, geboren in respectievelijk 1905 en 1907. Voor de verjaardag van zijn vrouw op 22 juli 1909 liet hij een prachtige foto van de kleintjes maken. (BD VI:128) Die zomer logeerde hij samen met zijn gezin in Laren, bij Liza en Dina Ament in hun huis “De Bijlakker”. Daar kan Hugo’s Lorsque l’enfant paraît ter sprake zijn gekomen. Eveneens denkbaar is dat Diepenbrock een afschrift van het gedicht kreeg toegestuurd door Johanna Jongkindt vanuit België; in haar brieven vertelde ze hem van allerlei over haar dochtertje Cathrien (“Titi”). Hoe de tekst hem ook onder ogen is gekomen, het onderwerp heeft hem geïnspireerd.

Het fragment van negentien maten, dat Diepenbrock op 5 september 1909 noteerde, omvat de eerste strofe van Hugo’s gedicht, gezet in de toonsoort van E-groot met een fraaie, ritmisch soepele melodie voor de zangstem. Opvallend is de septiemsprong van de achtste naar de negende maat met een dubbele voorhouding op de eerste tel. De harmoniek is eenvoudig. Dat de compositie op 1/8 van de tekst is blijven steken, zal te maken hebben met het feit dat Diepenbrock drie dagen later aan een groot werk begon: zijn toneelmuziek bij Marsyas, of De betooverde bron (RC 101).

Ton Braas



Lorsque l'enfant paraît, le cercle de famille
Applaudit à grands cris ; son doux regard qui brille
Fait briller tous les yeux,
Et les plus tristes fronts, les plus souillés peut-être,
Se dérident soudain à voir l'enfant paraître,
Innocent et joyeux.

Soit que juin ait verdi mon seuil, ou que novembre
Fasse autour d'un grand feu vacillant dans la chambre
Les chaises se toucher,
Quand l'enfant vient, la joie arrive et nous éclaire.
On rit, on se récrie, on l'appelle, et sa mère
Tremble à le voir marcher.

Quelquefois nous parlons, en remuant la flamme,
De patrie et de Dieu, des poètes de l'âme
Qui s'élève en priant ;
L'enfant paraît, adieu le ciel et la patrie
Et les poètes saints ! la grave causerie
S'arrête en souriant.

La nuit, quand l'homme dort, quand l'esprit rêve, à l'heure
Où l'on entend gémir, comme une voix qui pleure,
L'onde entre les roseaux,
Si l'aube tout à coup là-bas luit comme un phare,
Sa clarté dans les champs éveille une fanfare
De cloches et d'oiseaux !

Enfants, vous êtes l'aube et mon âme est la plaine
Qui des plus douces fleurs embaume son haleine
Quand vous la respirez ;
Mon âme est la forêt dont les sombres ramures
S'emplissent pour vous seuls de suaves murmures
Et de rayons dorés !

Car vos beaux yeux sont pleins de douceurs infinies,
Car vos petites mains, joyeuses et bénies,
N'ont point mal fait encor ;
Jamais vos jeunes pas n'ont touché notre fange ;
Tête sacrée ! enfant aux cheveux blonds ! bel ange
A l'auréole d'or !

Vous êtes parmi nous la colombe de l'arche.
Vos pieds tendres et purs n'ont point l'âge où l'on marche ;
Vos ailes sont d'azur.
Sans le comprendre encor, vous regardez le monde.
Double virginité ! corps où rien n'est immonde,
Âme où rien n'est impur !

Il est si beau l'enfant, avec son doux sourire,
Sa douce bonne foi, sa voix qui veut tout dire,
Ses pleurs vite apaisés,
Laissant errer sa vue étonnée et ravie,
Offrant de toutes parts sa jeune âme à la vie
Et sa bouche aux baisers !

Seigneur ! préservez-moi, préservez ceux que j'aime,
Frères, parents, amis, et mes ennemis même
Dans le mal triomphants,
De ne jamais voir, Seigneur ! l'été sans fleurs vermeilles,
La cage sans oiseaux, la ruche sans abeilles,
La maison sans enfants !


  • C-10(70-71) Lorsque l’enfant paraît

    C-10(p70-71) dated on the first page 5 Sept

    • 5 september 1909
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend