english | nederlands

RC 103* Blijde intrede (“Gedenk weer ’t verleden”)

onvoltooid werk

tekstbron

Balthazar Verhagen, unpublished poem
  • Blijde intrede (“Gedenk weer ’t verleden”)
  • Verhagen, Balthazar
  • sopraan of tenor en orkest
  • 12 april 1910 - 28 april 1910

Eind mei 1910, een maand na haar eerste verjaardag, zou prinses Juliana gepresenteerd worden aan de inwoners van Amsterdam. Er stond een feestelijke rondrit door de hoofdstad op het programma waarbij de koninklijke familie onder andere het Concertgebouw met een bezoek zou vereren. De aangewezen persoon om voor deze gelegenheid een feestcantate te componeren en met de nodige zwier uit te voeren, was Willem Mengelberg. Toen begin april echter bleek dat hij op de beoogde datum afwezig was, richtte men zich tot Diepenbrock. Het verzoek hield in dat hij binnen een tijdsbestek van vijf weken een werk van 20 à 25 minuten diende te maken. Dat kwam hem slecht uit, omdat hij in beslag werd genomen door de voorbereidingen voor een concert op 14 april met het Concertgebouworkest. Naast de Vierde symfonie van Mahler zou hij vier eigen werken dirigeren, waaronder de premières van Der Abend (RC 92) en de Hymne voor viool en orkest (RC 66). …meer >

Blijde intrede (incipit)


Eind mei 1910, een maand na haar eerste verjaardag, zou prinses Juliana gepresenteerd worden aan de inwoners van Amsterdam. Er stond een feestelijke rondrit door de hoofdstad op het programma waarbij de koninklijke familie onder andere het Concertgebouw met een bezoek zou vereren. De aangewezen persoon om voor deze gelegenheid een feestcantate te componeren en met de nodige zwier uit te voeren, was Willem Mengelberg. Toen begin april echter bleek dat hij op de beoogde datum afwezig was, richtte men zich tot Diepenbrock. Het verzoek hield in dat hij binnen een tijdsbestek van vijf weken een werk van 20 à 25 minuten diende te maken. Dat kwam hem slecht uit, omdat hij in beslag werd genomen door de voorbereidingen voor een concert op 14 april met het Concertgebouworkest. Naast de Vierde symfonie van Mahler zou hij vier eigen werken dirigeren, waaronder de premières van Der Abend (RC 92) en de Hymne voor viool en orkest (RC 66).

Diepenbrock stond voor een dilemma: Een beroerde geschiedenis. Heel moeilijk om te weigeren! Op 6 april 1910 verzocht hij Balthazar Verhagen een libretto te leveren en om hierbij, vanwege de urgentie, zo mogelijk samen te werken met P.H. van Moerkerken (1877-1951). Hij had al een aantal ideeën:

Het begin zou ik graag dactylisch hebben: [Diepenbrock noteerde hier de twee eerste maten met het aanvangsthema van de solopartij; zie de muziekpagina]1
Proloog met historische herinneringen in epischen stijl, hymnischen toon voor Solo-stem (Tenor of Sopraan) – Wiegelied v Juliana – tot slot kinderkoor. Het moet dunkt mij iets populairs, ‘volkstümliches’ worden. Zou je er ‘lef’ in hebben? (BD VI:248)

Beide schrijvers leverden een tekst, maar omdat Diepenbrock de bijdrage van Van Moerkerken droog literair vond (BD VI:253), verkoos hij het libretto van Verhagen, getiteld Blijde intrede. Ode aan Prinses Juliana bij haar eerste bezoek aan Amsterdam, Mei 1910.

Ondanks de drukte in de aanloop naar zijn gastdirectie zette Diepenbrock reeds op 12 april het hymnische sologedeelte voor sopraan op papier. De hele onderneming bleek echter vergeefs omdat twee weken later duidelijk werd dat het concert geen doorgang zou vinden, en wel om de volgende reden:

Wetende hoe verlangend de bevolking der hoofdstad is om naast het Koninklijk Echtpaar Prinses Juliana in haar midden te zien en te begroeten, heeft H.M. te kennen gegeven, dat Zij met de Prinses vele rijtoeren door Amsterdam wenscht te maken en in verband hiermee zoo min mogelijk officieele bezoeken wenscht af te leggen. (De uitvoering in het Concertgebouw is hierdoor reeds van het programma verdwenen.)2

Op grond van de krantenberichten concludeerde Diepenbrock in een brief van 27 april aan Verhagen dat het met de cantate nu wel niets meer zou worden:

Het Concertgebouw zou dan het Concert moeten geven en daar heb ik nog niets van gehoord. Wel heb ik er terloops even over gesproken, maar ik weet niet eens meer met wie. Het zal nu te laat zijn. Mevr. Noordewier had er wel lust in, maar dat geeft niets. Het moet van ’t Concertgebouw uitgaan. (BD VI:255)

Tegenover Mengelberg liet Diepenbrock zich op 19 mei schertsend uit in een brief die een indruk geeft van de stand van zaken betreffende zijn compositie:

Jelui zult wel met verbazing en teleurstelling gehoord hebben dat de Koningin voor de matinée in het Concertgebouw bedankt heeft. Ik denk dat het vooruitzicht om van die ‘geleerde’ muziek van Diepenbrock te moeten hooren, haar afgeschrikt heeft. Ik was al begonnen, had een vroegere leerling van mij een gedicht laten maken, dat heel aardig was; [de] inleiding, sopraan-solo voor Noordewier, was al klaar. D-dur, veel klokkengebengel en trompetfanfares vooraf in een kort voorspel, dan de zang […]. Dan een solo voor den Tenor, over ’t huis van Oranje, als lyrisch recitatief, daarop een wiegenlied van de kinderen van Amsterdam voor het princesje, en slotkoor als coda. Het had nog wel een dragelijk muziekje geworden als de Koningin maar gewild had. (BD VI:284)

De overgeleverde manuscripten omvatten de orkestrale introductie (16 maten), de sopraan-solo (28 maten), een schets van de uitgebreide tenor-solo en de eerste twee maten van het slotkoor.

Op 20 mei stuurde Diepenbrock Verhagen met verdriet het gedicht terug, samen met een klavieruittreksel in netschrift van de sopraan-solo, die als een afgerond geheel goed uitvoerbaar is. De instrumenten die hier en daar staan vermeld, geven een glimp weer van de beoogde orkestratie. In de begeleidende brief verzuchtte hij: Het had zoo aardig kunnen wezen.  (BD VI:287) Verhagens troostende antwoord luidde:

Hartelijk dank voor de compositie, waarmede ik de moeite van dat rijmwerkje alweer ruimschoots beloond acht. Wat zou dat mooi en feestelijk geklonken hebben! De philisters weten niet wat zij versmaden. (BD VI:288-289)

Elisabeth Diepenbrock verwoordde in haar dagboek de consequentie van deze geschiedenis aldus: Voor Fons niet alleen verlies van een werk, maar ook nog van f. 500,- waarvoor hij eens op reis had kunnen gaan. (BD VI:289)

Robert Spannenberg

1 Dit thema duikt niet voor het eerst op. Het komt al voor op de achterzijde van een schets van het Carmen saeculare (RC 52) uit 1901, en vervolgens in augustus 1908 als een mogelijk bestanddeel van Der Abend (RC 90). In mei 1909 gebruikt hij hetzelfde thema voor het begin van het onvoltooid gebleven lied Liedren als klinkende luiten op tekst van Willem Kloos (RC 96*). Na het afblazen van de cantate ter inhuldiging van prinses Juliana werd het getransformeerd tot de openingsmelodie van het Weihnachtslied (RC 107*) dat Diepenbrock op 15 juni 1910 componeerde, maar eveneens verwierp. Zie BD VI:415-416, noot 248-2. Zie ook E. Reeser, ‘Uit Diepenbrocks schetsboeken’, Mens en melodie 1 (1946), 158-160.

2 Aldus luidde de mededeling in het Utrechtsch Nieuwsblad van 25 april 1910.

 



Gedenk weer ’t Verleden, o roemrijke Amstelstad,
Zie op naar ’t juweel, in de kroon op uw torens vervat,
Waardoor gij nog heden
Schittert te midden der wereldsteden.
Ontwaak uit den roes van den koortsigen nieuwen tijd,
’t Gepeins op uw wetenschap, handel en nijverheid
Met lieflijke droomen
Komt u de adem der lente doorstroomen!
De zonnige Mei spint heur glansen om ’t grijze stadhuis.
Het windeke uit zuiden omspeelt het met streelend gesuis.
Want daar als een sproke,
Sluimert een bloesem nauwlijks ontloken.


  • B-1(6) Blijde intrede

    piano reduction B-1(6) with dedication on the first page Voor mijn vriend Balthazar Verhagen. ter herinnering aan de mislukte Cantate van Mei 1910 A Diepenbrock

    • 12 april 1910 – 28 april 1910
    • opdracht: Voor mijn vriend Balthazar Verhagen. ter herinnering aan de mislukte Cantate van Mei 1910 A Diepenbrock
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend
  • B-1(7) Blijde intrede (“Gedenk weer ’t verleden”), voice part

    voice part B-1(7) dated and with dedication on the first page Blijde Intrede (B Verhagen) begin van de Cantate die de Koningin niet wil hooren gecomponeerd voor Aal 12 April 1910

    • 12 april 1910
    • opdracht: Blijde Intrede (B Verhagen) begin van de Cantate die de Koningin niet wil hooren gecomponeerd voor Aal 12 April 1910
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend