english | nederlands

RC 105* Le foyer

onvoltooid werk

tekstbron

Paul Verlaine, La bonne chanson (Paris: Léon Vanier, 1891), 29 (no. XIV)
  • Le foyer
  • Verlaine, Paul
  • zangstem en piano
  • 31 juli 1910

In de vroege zomer van 1910, van 22 mei tot 8 juli, verbleef Johanna Jongkindt in Nederland. Niet alleen componeerde Diepenbrock En sourdine (RC 104) voor haar verjaardag op 23 mei, maar hij zocht haar in die anderhalve maand ook verscheidene malen op. Van 10 op 11 juni logeerde hij bij haar in Zeist. Het was toen dat hun intieme verhouding begon. Nadat Johanna in haar woonplaats Uccle was teruggekeerd, schreef ze over hun relatie onmiddellijk twee lange (niet bewaard gebleven) brieven waarin zij de openingsregel van Verlaines Le foyer moet hebben geciteerd, zonder de dichter te noemen. Diepenbrock informeerde naar de herkomst en sloeg in La bonne chanson het gedicht op dat hem tot dan toe onbekend was. …meer >

Le foyer (incipit)


In de vroege zomer van 1910, van 22 mei tot 8 juli, verbleef Johanna Jongkindt in Nederland. Niet alleen componeerde Diepenbrock En sourdine (RC 104) voor haar verjaardag op 23 mei, maar hij zocht haar in die anderhalve maand ook verscheidene malen op. Van 10 op 11 juni logeerde hij bij haar in Zeist. Het was toen dat hun intieme verhouding begon. Nadat Johanna in haar woonplaats Uccle was teruggekeerd, schreef ze over hun relatie onmiddellijk twee lange (niet bewaard gebleven) brieven waarin zij de openingsregel van Verlaines Le foyer moet hebben geciteerd, zonder de dichter te noemen. Diepenbrock informeerde naar de herkomst en sloeg in La bonne chanson het gedicht op dat hem tot dan toe onbekend was.

De tekst verwoordt het verlangen naar het stille en tevreden samenzijn van een liefdespaar – zich verliezend in elkanders ogen (“les yeux se perdant parmi les yeux aimés”) – aan het einde van een avond in het schijnsel van de lamp. De lectuur is opzij gelegd, de thee staat te geuren, een aangename vermoeidheid laat zich voelen, en man en vrouw verbeiden de zoete nacht. Dat is de fantasie die de dichter, zo staat in de laatste regels te lezen, in zijn droom najaagt, dwars door periodes heen van nodeloos gescheiden zijn, zonder ooit op te geven.

Het gedicht deed Diepenbrock, in een brief van 27 juli aan zijn geliefde, verzuchten:

Is het mogelijk op aarde om het ‘goddelijk’ te hebben? Zeg het mij Jo. Het versje van Verlaine is prachtig. Ik kende het niet. Hoe graag zou ik ’t voor jou componeeren. Maar de rust die er voor noodig is. Ik heb nog zooveel brieven te schrijven. (BD VI:354)

Vier dagen later echter ondernam hij toch een poging, met als resultaat een vijftal inleidende maten van de piano en de openingszin van de zangstem.

Vervolgens besteedde Diepenbrock al zijn aandacht aan het symfonisch lied Die Nacht op tekst van Hölderlin (RC 106), waarvan de vroegste schetsen dateren van 2 juni en van 23 en 30 juli. Over Le foyer berichtte hij op 1 augustus aan Johanna:

Ik geloof eigenlijk dat ’t niet voor muziek geschikt is, mischien komt er nog wel eens een oogenblik dat ik er alleen voor jou iets van kan maken, iets heel eenvoudigs, meer fluisteren dan zingen zou ’t moeten zijn. (BD VI:358-359)

Daarna komt het gedicht, of de wens het op muziek te zetten, nergens meer in Diepenbrocks correspondentie ter sprake.

Ton Braas



Le foyer, la lueur étroite de la lampe:
La rêverie avec le doigt contre la tempe
Et les yeux se perdant parmi les yeux aimés :
L'heure du thé fumant et des livres fermés ;
La douceur de sentir la fin de la soirée ;
La fatigue charmante et l'attente adorée
De l'ombre nuptiale et de la douce nuit,
Oh ! tout cela, mon rêve attendri le poursuit
Sans relâche, à travers toutes remises vaines,
Impatient des mois, furieux des semaines !


  • C-15(26-27) Le foyer

    C-15(p26-27) dated on the first page 31 Juli 1910

    • 31 juli 1910
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend