english | nederlands

RC 109* Am Abend (“Geh unter schöne Sonne”)

onvoltooid werk

tekstbron

Gedichte von Friedrich Hölderlin (Leipzig: J.G. Cotta [1826]), 125-126
  • Am Abend (“Geh unter schöne Sonne”)
  • Hölderlin, Friedrich
  • mezzosopraan en piano
  • 12 juli 1911 - 14 juli 1911

Op compositorisch gebied stonden voor Diepenbrock de maanden mei en juni 1911 in het teken van een ingrijpende herziening van zijn symfonisch lied Im grossen Schweigen (RC 67). Nadat hij daar op 8 juli mee gereed was gekomen, vond hij inspiratie voor een nieuw lied in de poëzie van Hölderlin. Op 12 juli noteerde hij drie maten van een toonzetting van het gedicht Am Abend voor mezzosopraan en piano. Blijkbaar beviel de decime tussen de woorden “schöne Sonne” hem niet, want op de onderste helft van de pagina liet hij de melodie opnieuw van start gaan met een veel geleidelijker opbouw. Ditmaal vindt de eerste grote sprong plaats bij de woorden “sie kannten dich, Heilige, nicht.” Twee dagen later echter verwerpt Diepenbrock ook deze melodie en begint andermaal van voren af aan. Nu schrijft hij een afgerond geheel voor de eerste strofe van het gedicht. Steeds is Es-groot de toonsoort, maar de derde versie wordt het meest gekleurd door de toon ces, de verlaagde zesde trap. …meer >

Am Abend (incipit)


Op compositorisch gebied stonden voor Diepenbrock de maanden mei en juni 1911 in het teken van een ingrijpende herziening van zijn symfonisch lied Im grossen Schweigen (RC 67). Nadat hij daar op 8 juli mee gereed was gekomen, vond hij inspiratie voor een nieuw lied in de poëzie van Hölderlin. Op 12 juli noteerde hij drie maten van een toonzetting van het gedicht Am Abend voor mezzosopraan en piano. Blijkbaar beviel de decime tussen de woorden “schöne Sonne” hem niet, want op de onderste helft van de pagina liet hij de melodie opnieuw van start gaan met een veel geleidelijker opbouw. Ditmaal vindt de eerste grote sprong plaats bij de woorden “sie kannten dich, Heilige, nicht.” Twee dagen later echter verwerpt Diepenbrock ook deze melodie en begint andermaal van voren af aan. Nu schrijft hij een afgerond geheel voor de eerste strofe van het gedicht. Steeds is Es-groot de toonsoort, maar de derde versie wordt het meest gekleurd door de toon ces, de verlaagde zesde trap.

In het gedicht brengt Hölderlin een ode aan de vrouw van zijn leven. Na zijn studiejaren kwam hij in 1796 als privéleraar in dienst van de bankier Jakob Gontard en werd hevig verliefd op diens echtgenote Susette Borkenstein. Zij stond model voor de Diotima-figuur in zijn briefroman Hyperion. Diotima was de zieneres/priesteres die de jonge Socrates inwijdde in de ideeën van het goede en het schone, en van de liefde als middel om tot beschouwing van het goddelijke te komen. In zijn gedicht Am Abend vereenzelvigt Hölderlin Diotima met de zon die hij vereert als “boodschapper van de hemel”. Dankbaar kijkt hij naar haar omhoog als brenger van de gouden dag: nog levendiger ruisen de bronnen en liefdevol geuren de bloesems. Maar de openingsregels gaan over de miskenning van de zon door het gros der mensen: Ga onder, mooie zon, zij sloegen weinig acht op je, zij kenden jou, heilige, niet.

Diepenbrocks wens om juist dit gedicht op muziek te zetten is in verband te brengen met een dramatische wending in zijn leven: het afstand nemen van zijn geliefde, Johanna Jongkindt. Uit wanhoop over de uitzichtloosheid van hun relatie was Johanna in een huwelijk gevlucht dat op 29 mei 1911 is voltrokken. Vervolgens echter bleef de frequentie van de over en weer uitgewisselde liefdesbrieven dezelfde als voorheen. Toen Diepenbrocks vrouw Elisabeth aangaf daartegen emotioneel niet bestand te zijn, zag hij zich gedwongen af te zien van verder contact. Op 19 juni schreef hij aan Johanna:

Had ik kans gezien dan had ik Hölderlin’s Abschied gecomponeerd. Maar dat is bijna niet te doen om technische redenen. (BD VII:213)

Het bezwaar zal gelegen hebben in de lengte van dat specifieke gedicht. Het is niet verwonderlijk dat hij vervolgens uitkwam bij Am Abend, waarin de afscheidsgedachte ook besloten ligt. Daarnaast is de miskenning door anderen van de zon als liefdesgodin en bron van levenswijsheid het belangrijkste thema. De ik-figuur van het gedicht weet die zon elke dag aanwezig in zijn bestaan. Met andere woorden: Johanna zal de muze blijven van zijn scheppende arbeid.

Ton Braas



Geh unter, schöne Sonne, sie achteten
Nur wenig dein, sie kannten dich, Heilge, nicht.
Denn mühelos und stille bist du
Über den Mühsamen aufgegangen.

Mir gehst du freundlich unter und auf, o Licht,
Und wohl erkennt mein Auge dich, herrliches!
Denn göttlich stille ehren lernt ich,
Da Diotima den Sinn mir heilte.

O du, des Himmels Botin, wie lauscht ich dir,
Dir, Diotima! Liebe! wie sah von dir
Zum goldnen Tage dieses Auge
Glänzend und dankend empor. Da rauschten

Lebendiger die Quellen, es atmeten
Der dunkeln Erde Blüten mich liebend an,
Und lächelnd über Silberwolken
Neigte sich segnend herab der Äther.


  • C-16(66-67)

    C-16(p66-67) dated on the first page 12 Juli and on the second page 14 Juli

    • 12 juli 1911 – 14 juli 1911
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend