english | nederlands

RC 140 De vogels

tekstbron

Aristophanes, De Vogels, transl. by C. Deknatel (Amsterdam: Swets & Zeitlinger 1917)

eerste uitvoering

15 februari 1918 Amsterdam, Paleis voor Volksvlijt

opnamen

  • Anniversary Edition 1 Et'cetera KTC 1435 CD1

uitgaven

  • Ballet-suite
  • Balletten uit De Vogels en Marsyas Alphons Diepenbrock Fonds 2620942
  • De Vogels (full score) Alphons Diepenbrock Fonds 2620942

  • De vogels
  • 14 juni 1917 - 21 december 1917

Diepenbrock heeft de muziek bij De vogels in de zomer van 1917 gecomponeerd voor opvoering door leerlingen van het Stedelijk Gymnasium te Amsterdam. Op hun verzoek was Aristophanes’ komedie in het Nederlands vertaald door dr Christian Deknatel (1875-1925), docent klassieke talen aan die school. In februari 1918 vonden twee voorstellingen plaats in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt, die geregisseerd waren door Frank Luns (1886-1936) en waarbij Diepenbrock een ensemble uit het Concertgebouworkest dirigeerde. …meer >

De vogels I (incipit)
De vogels II (incipit)
De vogels III (incipit)


Diepenbrock heeft de muziek bij De vogels in de zomer van 1917 gecomponeerd voor opvoering door leerlingen van het Stedelijk Gymnasium te Amsterdam. Op hun verzoek was Aristophanes’ komedie in het Nederlands vertaald door dr Christian Deknatel (1875-1925), docent klassieke talen aan die school. In februari 1918 vonden twee voorstellingen plaats in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt, die geregisseerd waren door Frank Luns (1886-1936) en waarbij Diepenbrock een ensemble uit het Concertgebouworkest dirigeerde.

Dit project begon met het verzoek dat Diepenbrock begin mei 1917 moet hebben gekregen voor het schrijven van muziek bij de koren van deze komedie. Aanvankelijk stond hij afwijzend tegenover een dergelijke compositieopdracht, zo liet hij de scholier die het project had geïnitieerd, I.Q. van Regteren Altena (1899-1980), op 14 mei weten:

Ik acht mij daartoe […] niet bekwaam, vooral in den tegenwoordigen tijd niet, nu het onmogelijk is dat men zich rustig aan de muziek wijdt, daar wij, zooals U waarschijnlijk weet, op een vulcaan leven. (BD IX:242)

Diepenbrock deed de suggestie om Johan Wagenaar (1862-1941) te benaderen, ongetwijfeld vanwege de ervaring die zijn leeftijdgenoot had in het toonzetten van humoristische libretti. Zes weken later meldde hij het verzoek te hebben doorgespeeld aan de jonge componist Matthijs Vermeulen (1888-1967).

Intussen had Diepenbrock zich verdiept in de vertaling, die hij zeer talentvol en handig gemaakt noemt. (BD IX:254) Desondanks gaf hij op 6 juli te kennen dat zowel Vermeulen als hijzelf hadden besloten om van het componeren van muziek bij De vogels af te zien vanwege het financiële risico; naar zijn inschatting zouden de kosten van het muzikale gedeelte (het honorarium van de componist plus de vergoeding voor alle uitvoerenden) eenvoudig niet op te brengen zijn. (BD IX:259) Daarom raadde Diepenbrock de gymnasiasten aan het stuk zonder muziek op te voeren.

Een andere, meer inhoudelijke reden waarom Diepenbrock aarzelde om muziek te schrijven bij deze tekst, valt af te leiden uit een opmerking in zijn brief van 14 mei:

Het is zeker een mooi idee bij de opvoering van een antiek drama de chorische partijen te laten zingen, maar bij de komedie is de moeilijkheid der realiseering van dit idee nog oneindig grooter dan bij de tragedie, en ik begrijp niet hoe men speciaal wat de Vogels betreft die gedeelten zou kunnen componeeren zonder dat de tekst nagenoeg onverstaanbaar wordt. In dit opzicht zou ik Dr. Deknatel eerder aanraden iets van het stijlprincipe te offeren en de koren maar te laten zeggen.” (BD IX:242)

Diepenbrock vreesde dus dat de verstaanbaarheid ernstig te lijden zou hebben bij een vocale zetting van de tekst. De vraag of het “laten zeggen” van de koren al dan niet met muziek gepaard diende te gaan, wordt in dit eerste schrijven niet expliciet beantwoord, maar Diepenbrocks formulering wekt de suggestie dat hij in dat stadium muzikale begeleiding van de reien vanzelfsprekend achtte.

Inspiratie

Ofschoon Diepenbrock op 10 juli benadrukte dat hij definitief van het plan [had] afgezien (BD IX:260), blijkt uit schetsen voor De vogels dat hij op 14 juni al twee thema’s voor de ouverture had genoteerd. Sterker nog: daags na het schrijven van deze brief componeerde Diepenbrock op 11 juli in zijn zomerhuisje in Laren het begin van het Lied van de hop. Uit de dateringen bij de afzonderlijke delen in de autografen is op te maken dat hij het Lied van de hop op 5 augustus gereed had en aansluitend de ouverture van 8 tot 24 augustus in de steigers zette. Hoezeer de landelijke omgeving van Laren daarbij een bron van inspiratie voor hem was, is te lezen in een dagboekaantekening van Cato Loman:

Thuisgekomen gaat hij vertellen van de Vogels. “Vind je [het] ook zoo aardig, dat getrippel op het dak in den vroegen morgen te hooren?” Dan gaat hij spelen zonder ophouden, nieuwe klanken, nieuwe vreugden [...] fladderen, vliegen, tjilpen, zingen, liefde, een openbaring.” (BD IX:262)

Pas eind augustus, toen vrijwel de hele compositie in schets op papier stond, moet Diepenbrock zijn besluit om toch mee te werken aan de woordvoerder van de gymnasiasten hebben meegedeeld. (BD IX: 267-268) Het najaar van 1917 is gebruikt voor de instrumentatie; de autograafpartituur vermeldt 21 december als slotdatum.

Bij het componeren heeft Diepenbrock dus voorrang gegeven aan het Lied van de hop en de Ouverture, een omvangrijk orkestwerk, terwijl het toonzetten van de koorliederen – het eigenlijke verzoek van de gymnasiasten – werd uitgesteld. Had hij bewust aangestuurd op het verkrijgen van een opdracht voor het schrijven van een complete toneelmuziek bij Aristophanes’ stuk? In ieder geval zou het hem een mooie gelegenheid bieden voor creatieve arbeid, daar hij sinds 1913 (Lydische nacht, RC 118) niet meer voor een symfonische bezetting had gecomponeerd. Daarnaast sprak het utopische onderwerp van Aristophanes’ komedie (de vogelmaatschappij wordt tot ideaal verheven als alternatief voor het rusteloze bestaan in Athene) Diepenbrock aan in de turbulente oorlogssituatie anno 1917. Waarschijnlijk betekende het werken aan de partituur voor Diepenbrock tevens een welkome afleiding bij zijn huwelijksproblemen die juist in die maanden hoog opliepen.

Vooruit kijkend naar de opvoering van het blijspel (aanvankelijk gepland voor maart 1918 in de Amsterdamse Stadsschouwburg) heeft Diepenbrock al in september 1917 Richard Heuckeroth (1885-1960), de nieuwe dirigent van de Arnhemsche Orkest Vereeniging, voor het project trachten te interesseren. Begin november bleek echter dat de muziek te moeilijk was voor dit orkest. (BD IX:297) In januari 1918 kreeg Diepenbrock toestemming om 43 leden van het Concertgebouworkest in te huren (zie BD IX:574).

De partituur voor spreekstemmen, tenor, vrouwenkoor en orkest omvat zes delen: Ouverture (I), Lied van de hop (II), melodrama’s met dans (III, IV en V) en Finale (VI).

Met een speelduur van ruim tien minuten en een rijke instrumentatie, voor een drievoudige blazersbezetting, slagwerkers en strijkers, overtreft de ouverture tot De vogels de voorspelen tot Verhagens Marsyas, of De betooverde bron (RC 101) en Sophocles’ Electra (RC 146). Uitzonderlijk in Diepenbrocks oeuvre is het uitbundig elan, het overheersen van majeur toonsoorten, de uitgesproken dynamische en ritmische vormgeving en de geestige invallen. Het is de vroolijkste muziek die ik ooit gemaakt heb, meldde de componist naderhand aan Johanna Raphael-Jongkindt. (BD X:68)

De ouverture is geschreven in sonatevorm, maar heeft dankzij de reeks thema’s en motieven, die door Diepenbrock zelf gedetailleerd in kaart zijn gebracht (BD IX:309-310), het karakter van een symfonisch gedicht. Hoewel Diepenbrock in Marsyas en Lydische nacht reeds natuur- en vogelgeluiden had verklankt, heeft het onderwerp van deze komedie hem uitgedaagd zijn grenzen wat betreft het instrumenteren te verleggen. Dit trok bij de première op 15 februari 1918 de aandacht van diverse recensenten. Zo schreef Matthijs Vermeulen de volgende dag in De Telegraaf:

Ik geloof niet, dat hij in Marsyas de natuurstemmen warmer en zingender weergaf dan in het middendeel van dit kleine symphonische gedicht. Ik geloof ook niet, dat hij tegelijk zijne technische beheersching der noten, met behoud der lyrische verrukking, virtuoser heeft uitgedrukt dan in den schitterenden canon op de nachtelijke en bedwelmende liefdesliederen van den tooverachtig, in de menschelijke accenten nagebootsten nachtegaal. (BD IX:578).

Deze ‘nachtegaalklacht’ (fluit- en later piccolosolo), als meest sprekende element binnen dat rijkgeschakeerde vogelconcert, keert terug in het volgende deel.

In het lyrische Lied van de hop, geschreven op de stem van de populaire tenor Louis van Tulder (1892-1969), wordt de poëtische tekst op de voet gevolgd. Zo hebben de anapesten, die Deknatel bij het vertalen van de Griekse versregels had weten te behouden, de ritmiek van de vocale partij bepaald, en gebruikte Diepenbrock virtuoze loopjes, klanknabootsingen van vogelgeluiden en harmonische accenten om de inhoud uit te beelden. Opvallend is dat Diepenbrock de korte dialoog waarin Pethetairos en Euelpides de zang van de hopvogel becommentariëren, als melodrama heeft gecomponeerd.

Ook de koorliederen, de zogeheten balletti, zijn gezet als korte, dansante melodrama’s (III, IVa en IVb, Va en Vb) met een eenvoudige begeleiding passend bij het luchtige, pastorale karakter van de teksten. In hun uitvoering werden de gymnasiasten bijgestaan door leerlingen van de Amsterdamse Toneelschool die dansten volgens de methode van Émile Jaques-Dalcroze (1865-1950).

Succes

Wegens het grote succes dat het stuk bij de première op 15 februari 1918 had – hetgeen mede te danken was aan de spelkwaliteiten van de gecontracteerde leden van het Concertgebouworkest met Louis Zimmermann (1873-1954) als concertmeester – werd besloten de voorstelling een week later te herhalen. (BD IX: 313-314)

In het najaar van 1925 vond er op initiatief van Balthazar Verhagen (1881-1950), oud-leerling van Diepenbrock en secretaris van het in 1921 opgerichte Alphons Diepenbrock Fonds, een reconstructie van de oorspronkelijk enscenering plaats. Daarbij dirigeerde Evert Cornelis (1884-1931) het Utrechtsch Stedelijk Orkest en het Toonkunst-vrouwenkoor. Koorleidster was de 20-jarige Joanna Diepenbrock (1905-1966). Het Lied van de hop werd opnieuw door Louis van Tulder gezongen, ditmaal in vogelkostuum op het podium.

De ouverture van De vogels is al spoedig gaan behoren tot Diepenbrocks meest gespeelde werken. De aanzet hiervoor was gegeven door de componist zelf die in maart 1918, een maand na de première van De vogels, de ouverture en het Lied van de hop in het Concertgebouw had gedirigeerd. Pas in oktober 1921, na Diepenbrocks dood, kwam de ouverture onder Willem Mengelberg tot klinken, waarna deze het werk ook presenteerde tijdens zijn concert met de The Philharmonic Society in New York in maart 1922.

Désirée Staverman

 



  • A-72 De vogels

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20
    • 21
    • 22
    • 23
    • 24
    • 25
    • 26
    • 27
    • 28
    • 29
    • 30
    • 31
    • 32
    • 33
    • 34
    • 35
    • 36
    • 37
    • 38
    • 39
    • 40
    • 41
    • 42
    • 43
    • 44
    • 45
    • 46
    • 47
    • 48
    • 49
    • 50
    • 51
    • 52
    • 53
    • 54
    • 55
    • 56
    • 57
    • 58
    • 59
    • 60
    • 61
    • 62
    • 63
    • 64
    • 65
    • 66
    • 67
    • 68
    • 69
    • 70
    • 71
    • 72
    • 73
    • 74
    • 75
    • 76
    • 77
    • 78
    • 79
    • 80
    • 81
    • 82
    • 83
    • 84
    • 85
    • 86
    • 87
    • 88
    • 89
    • 90
    • 91
    • 92
    • 93
    • 94
    • 95
    • 96
    • 97
    • 98
    • 99
    • 100
    • 101
    • 102
    • 103
    • 104
    • 105
    • 106
    • 107
    • 108
    • 109

    score A-72 dated on the title page gecomp Aug – Sept. 1917 / geinstrumenteerd 15 Sept – 21 Dec 1917 and on the last page Amsterdam 21 Dec. 1917

    • 1 augustus 1917 – 21 december 1917
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: 109
  • A-64(18) Lied van den Hop / Invocation de la Huppe – Invocation of the Hoopoe – Lied des Wiedehopfes

    copy score A-64(18) = Lied van den Hop / Invocation de la Huppe – Invocation of the Hoopoe – Lied des Wiedehopfes

    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend
  • A-81(11) Het lied van de hop

    semi-autograph piano score A-81(11) = Het lied van de hop

    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend
  • A-81(12) De vogels, piano score

    semi-autograph piano score A-81(12)

    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend
  • B-13 De vogels

    piano score B-13 signed and dated on the flyleaf A Diepenbrock Aug. 1917 – Jan 1918 and on the last page Amsterdam 10 Dec 1917

    • 1 augustus 1917 – 31 januari 1918
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend
  • B-23(1) Strophe met dans bij de Parabase van Aristophanes’ Vogels

    piano score B-23(1) = Strophe met dans bij de Parabase van Aristophanes’ Vogels with dedication gecopieerd voor Frieda Mooy

    • opdracht: gecopieerd voor Frieda Mooy
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend
  • HGM 007/61 Lied (Ode) van de Hop

    semi-autograph piano score HGM 007/61 (NMI, archive Louis van Tulder) = Lied (Ode) van de Hop, dated 5 Aug. 1917

    • 5 augustus 1917
    • bewaarplaats: Nederlands Muziek Instituut, archive Louis van Tulder
    • pagina's: onbekend

  • klik voor vergroting

    Anniversary Edition 1

    cd Et'cetera KTC 1435 CD1
    Concertgebouworkest ♦ Chailly, Riccardo ♦ Verhey, Emmy ♦ Vonk, Hans

    Tracks: 1-5 = RC 101; 6 = RC 140; 7-10 = RC 146; 11 = RC 66

  • Ballet-suite

    1955
  • Balletten uit De Vogels en Marsyas

    1922 Alphons Diepenbrock Fonds
  • De Vogels (full score)

    1925 Alphons Diepenbrock Fonds

15 feb 1918: Eerste opvoering van De vogels in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam door de Letterkundige Gymnasiasten-Vereeniging “Disciplina Vitae Scipio” onder regie van Frank Luns en met medewerking van leden van het Concertgebouw-Orkest onder leiding van Diepenbrock. Solist: Louis van Tulder.

Diepenbrock heeft dezen zomer muziek bij de vogels gecomponeerd: een ouverture, een tenorsolo (het lied van den nachtegaal) begeleidende muziek bij de reien en een slotkoor. Het talent van Diepenbrock wordt nog steeds rijker en sterker en ook beheerschter in uitdrukking en vorm. Ik ken geen muziek van Diepenbrock, welke origineeler, verrassender en melodischer is dan deze ouverture, waarin de bezieling en de verbeelding den componist geen oogenblik hebben verlaten. Als inleiding tot begrip en genot van het dichtwerk is de ouverture ook voortreffelijk opgevat met haar blijspel-toon naar fladderende rhythmen, haar marsch-tempo's en daartusschen haar zangerige betooverende fragmenten. De fluit-solo geschakeerd door de ruischende figuren van de harp, lokt als een verre zoete droom, als een verschijning uit de Attische wereld van schoonheid. — En telkens als later de muziek optreedt, wordt men getroffen door dezelfde superieure eigenschappen. Alleen het luidruchtige slotgedeelte met den weinig expressieven koorzang voldeed mij minder, en scheen mij niet op dezelfde hoogte als het voorafgaande. De orkestrale uitvoering door een gedeelte van het Concertgebouw-orkest met Zimmermann aan het hoofd en onder leiding van den componist was uitstekend, en de nachtegaal-solo werd door van Tulder met frischheid en gloed gezongen.

Algemeen Handelsblad (Ks [= Mr H.W.J.M. Keuls]), 16 februari 1918

pdf Alle recensies voor RC 140 De vogels