english | nederlands

RC 34 Stabat mater dolorosa

tekstbron

Remy de Gourmont, Le Latin mystique. Les poètes de l’antiphonaire et la symbolique au moyen âge (Paris: Mercure de France, 1892), 317-319

eerste uitvoering

3 april 1896 Amsterdam, Nieuwe Lutherse Kerk

opgedragen aan

opnamen

  • Anniversary Edition 7 Et'cetera KTC 1435 CD7

uitgaven

  • Sequentia Stabat Mater dolorosa auctore Jacopone da Todi quattuor vocibus inaequalibus composuit Alph Diepenbrock De Nieuwe Muziekhandel 2523877
  • Stabat mater dolorosa / Stabat mater speciosa Donemus / Alphons Diepenbrock Fonds 6345764

  • Stabat mater dolorosa
  • Jacopone da Todi
  • gemengd koor a cappella
  • 23 januari 1896
  • duur ca. 10:00

In januari 1896, vijf jaar nadat hij in ’s-Hertogenbosch zijn Stabat mater dolorosa voor mannenkoor had gecomponeerd (zie RC 22), vulde Diepenbrock – inmiddels teruggekeerd in Amsterdam – het stuk aan met muziek voor de ontbrekende strofen 6 en 7. Tegelijkertijd arrangeerde hij het stuk voor gemengd koor omdat ik dacht dat het voor mannenkoor te moeielijk zou zijn en omdat de chromatiek door de voorstanders van den strengen stijl veroordeeld zou worden. (BD III:273) Tegenover mgr. J.A.S. van Schaik (zie RC 27) omschreef Diepenbrock zijn drijfveer van die herinrichting als beduchtheid voor de zwaarte en monotonie eener zoo lange compositie voor mannenstemmen. Voor het uitvoeren van de sopraan- en altpartij stonden hem vrouwenstemmen voor ogen, daar jongensstemmen hem niet in staat leken de smartelijke ontroering eenigszins uit te spreken waarvan het gedicht zoo vol is. (BD III:50) …meer >

Stabat mater dolorosa (incipit)


In januari 1896, vijf jaar nadat hij in ’s-Hertogenbosch zijn Stabat mater dolorosa voor mannenkoor had gecomponeerd (zie RC 22), vulde Diepenbrock – inmiddels teruggekeerd in Amsterdam – het stuk aan met muziek voor de ontbrekende strofen 6 en 7. Tegelijkertijd arrangeerde hij het stuk voor gemengd koor omdat ik dacht dat het voor mannenkoor te moeielijk zou zijn en omdat de chromatiek door de voorstanders van den strengen stijl veroordeeld zou worden. (BD III:273) Tegenover mgr. J.A.S. van Schaik (zie RC 27) omschreef Diepenbrock zijn drijfveer van die herinrichting als beduchtheid voor de zwaarte en monotonie eener zoo lange compositie voor mannenstemmen. Voor het uitvoeren van de sopraan- en altpartij stonden hem vrouwenstemmen voor ogen, daar jongensstemmen hem niet in staat leken de smartelijke ontroering eenigszins uit te spreken waarvan het gedicht zoo vol is. (BD III:50)

Bij het vervolledigen van de tekst baseerde hij zich op het reeds genoemde Le Latin mystique. Les poètes de l’antiphonaire et la symbolique au moyen âge van Remy de Gourmont. Deze bron noemde Diepenbrock toen hij in februari 1904 nog eens rekenschap aflegde voor zijn tekstkeuze aan zijn vriend J.C. Hol, een voormalige leerling in de klassieke talen die een artikel over zijn muziek ging schrijven:

De text van mijn Stab. Mater is zooveel ik weet de authentieke uit Cura Urbani VIII. ad recentiorem venustatem redactum. In oude Antwerpsche missalen vindt men hem terug. De ‘officieele’ van het Graduale van Pustet en ook van dat van Solesmes is een verknoeide renaissancetext op dezelfde wijs als de muziek in de [Editio] Medicaea [van 1614]. Ik heb ze grootendeels geput uit een boek van R. de Gourmont, Le latin mystique, maar de overeenstemming met den ouden text door Palestrina gebruikt dacht ik dat groot was. (BD IV:187)

Ter documentatie schonk Diepenbrock zijn manuscript aan Hol. Bij die gelegenheid noemde hij het Stabat mater dolorosa een mijner beste werken, ofschoon hetgeen er in zit niet licht aan de oppervlakte komt. (BD IV:161)

Op 3 april 1896 (Goede Vrijdag) is de gecompleteerde versie voor gemengd koor voor het eerst tot klinken gebracht in de Nieuwe Lutherse of Koepelkerk in Amsterdam door het Klein-Koor a Cappella onder leiding van Anton Averkamp. Aaltje Noordewier-Reddingius en Cato Loman zongen de solistische gedeelten. In het programma werd Diepenbrocks werk voorafgegaan door Improperia-motetten van Palestrina en da Vittoria. De première kreeg ruime aandacht in de pers. Ondanks de matige voorbereiding van het koor – Er is kort en slordig gestudeerd, schreef Diepenbrock aan zijn vriend Charles Smulders (BD II:412) – gaven autoriteiten als Daniël de Lange, Simon van Milligen en Hugo Nolthenius een positief oordeel.

De compositie is in april 1898 in druk verschenen bij De Algemeene Muziekhandel te Amsterdam, met een opdracht aan Anton Averkamp. Drie maanden later kwam ook het Stabat mater speciosa (RC 35) uit. De verschijningsvorm was uitzonderlijk: het formaat van 11 x 23 cm en de gekalligrafeerde titelpagina met sierrand – lithografisch verzorgd door Antoon Derkinderen, evenals de uitgave van de Missa (RC 27) – roepen associaties op met vijftiende-eeuwse stemboekjes. Averkamp heeft het werk veelvuldig uitgevoerd.

Ton Braas



Vol smarten stond de Moeder
wenende onder het kruis
waaraan haar Zoon hing.

Haar zuchtend, bedroefd
en lijdend hart werd
als met een zwaard doorstoken.

O hoe treurig en terneergeslagen
was die gezegende Moeder
van de Eengeborene.

O hoe treurde en leed
die goede Moeder toen zij de smarten
zag van haar goddelijke Zoon.

Wie zou niet wenen,
als hij de Moeder van Christus
in zulk een foltering zag?

Wie zou niet mede treuren
bij het zien van Christus' Moeder,
zo diep bedroefd bij haar Zoon?

Om de zonden van zijn volk
zag zij Jesus aan geseling
en marteling prijsgegeven.

Zij zag haar lieve Zoon
de geest geven
en geheel verlaten sterven.

Ach Moeder, fontein van liefde,
laat mij de grootheid van Uw lijden
gevoelen, opdat ik met U treure.

Maak mijn hart brandend van liefde
voor Christus mijn God,
om Hem te behagen.

Heilige Moeder, wil toch
de wonden van de Gekruisigde
diep in mijn hart drukken.

Laat mij delen in de pijnen
van uw doorwonde Zoon,
die voor mij heeft willen lijden.

Laat mij eerbiedig met u
wenen en mede lijden met de Gekruisigde,
zolang ik zal leven.

Ik verlang zeer onder het kruis
bij u te staan
om samen met u te treuren.

Onvolprezen Maagd der maagden,
wees voor mij niet hard,
maar laat mij met u wenen.

Laat mij de dood van Christus dragen,
maak mij deelgenoot van zijn lijden,
laat mij zijn wonden voelen.

Laat mij door de wonden van uw Zoon
gekwetst worden en maak mij dronken
van zijn kruis en bloed.

Verdedig mij, o Maagd, op de dag
des oordeels, om niet in de vlammen
der hel te worden neergestort.

Laat mij door het kruis beschermd worden
en door Christus' dood gesterkt.
Laat zijn gunst mij verwarmen.

Als mijn lichaam zal sterven,
geef dan mijn ziel
de glorie van het paradijs.

Stabat mater dolorosa
juxta crucem lacrymosa
dum pendebat Filius.

Cujus animam gementem
contristatam et dolentem
pertransivit gladius.

O quam tristis et afflicta
fuit illa benedicta
mater Unigeniti.

Quae maerebat et dolebat
pia mater dum videbat
nati poenas inclyti.

Quis est homo qui non fleret
matrem Christi si videret
in tanto supplicio?

Quis non posset contristari
piam matrem contemplari
dolentem cum Filio?

Pro peccatis suae gentis
vidit Jesum in tormentis
et flagellis subditum.

Vidit suum dulcem Natum
moriendo desolatum
dum emisit spiritum.

Eja mater fons amoris
me sentire vim doloris
fac ut tecum lugeam.

Fac ut ardeat cor meum
in amando Christum Deum
ut sibi complaceam.

Sancta mater istud agas
crucifixi fige plagas
cordi meo valide.

Tui Nati vulnerati
tam dignati pro me pati
poenas mecum divide.

Fac me tecum pie flere
crucifixo condolere
donec ego vixero.

Juxta crucem tecum stare
te libenter sociare
in planctu desidero.

Virgo virginum praeclara
mihi jam non sis amara
fac me tecum plangere.

Fac ut portem Christi mortem
passionis fac consortem
et plagas recolere.

Fac me plagis vulnerari
cruce hac inebriari
et cruore Filii.

Inflammatus et accensus
per te virgo sim defensus
in die judicii.

Fac me cruce custodiri
morte Christi praemuniri
confoveri gratia.

Quando corpus morietur
fac ut animae donetur
paradisi gloria.

At, the Cross her station keeping,
stood the mournful Mother weeping,
close to Jesus to the last.

Through her heart, His sorrow sharing,
all His bitter anguish bearing,
now at length the sword has passed.

O how sad and sore distressed
was that Mother, highly blest,
of the sole-begotten One.

Christ above in torment hangs,
she beneath beholds the pangs
of her dying glorious Son.

Is there one who would not weep,
whelmed in miseries so deep,
Christ's dear Mother to behold?

Can the human heart refrain
from partaking in her pain,
in that Mother's pain untold?

Bruised, derided, cursed, defiled,
she beheld her tender Child
All with scourges rent:

For the sins of His own nation,
saw Him hang in desolation,
Till His spirit forth He sent.

O thou Mother! fount of love!
Touch my spirit from above,
make my heart with thine accord:

Make me feel as thou hast felt;
make my soul to glow and melt
with the love of Christ my Lord.

Holy Mother! pierce me through,
in my heart each wound renew
of my Savior crucified:

Let me share with thee His pain,
who for all my sins was slain,
who for me in torments died.

Let me mingle tears with thee,
mourning Him who mourned for me,
all the days that I may live:

By the Cross with thee to stay,
there with thee to weep and pray,
is all I ask of thee to give.

Virgin of all virgins blest!,
Listen to my fond request:
let me share thy grief divine;

Let me, to my latest breath,
in my body bear the death
of that dying Son of thine.

Wounded with His every wound,
steep my soul till it hath swooned,
in His very Blood away;

Be to me, O Virgin, nigh,
lest in flames I burn and die,
in His awful Judgment Day.

Christ, when Thou shalt call me hence,
by Thy Mother my defense,
by Thy Cross my victory;

While my body here decays,
may my soul Thy goodness praise,
safe in paradise with Thee. Amen.

 


  • B-2 Stabat Matar Dolorosa

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19
    • 20
    • 21
    • 22
    • 23
    • 24
    • 25
    • 26
    • 27
    • 28
    • 29
    • 30
    • 31

    Manuscript: B-2 dated on the last page Maart 1888. 23 Jan 1896 and with dedication on the first page Aan myn vriend Joh. Hol 4/5 Jan 1904

    • 1 maart 1888 – 23 januari 1896
    • opdracht: Aan myn vriend Joh. Hol 4/5 Jan 1904
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: 31

  • klik voor vergroting

    Anniversary Edition 7

    cd Et'cetera KTC 1435 CD7
    Nederlands Kamerkoor ♦ Stok, Klaas ♦ Gronostay, Uwe ♦ Vocaal Ensemble Markant ♦ Haenchen, Hartmut ♦ Netherlands Radio Choir ♦ Antunes, Celso ♦ Quink Vocaal Ensemble

    Tracks: #1 = RC 7; #2 = RC 36; #3 = RC 85; #4 = RC 86; #5 = RC 87; #6 = RC 38; #7 = RC 56; #8 = RC 63; #9 = RC 28; #10 = RC 5; #11 = RC 34; #12 = RC 35; #13 = RC 119; #14 = RC 57

  • Sequentia Stabat Mater dolorosa auctore Jacopone da Todi quattuor vocibus inaequalibus composuit Alph Diepenbrock

    1898 De Nieuwe Muziekhandel Jacapone da Toni
  • Stabat mater dolorosa / Stabat mater speciosa

    2005 Donemus / Alphons Diepenbrock Fonds Braas, Ton

begin mrt 1898: Bij de Algemeene Muziekhandel te Amsterdam verschijnt het Stabat mater dolorosa in druk.

Ein Stabat Mater von A. J. M. Diepenbrock, Verlag von Stumpff & Koning in Amsterdam, ist für den Konzertgebrauch bestimmt und dem Dirigenten des gemischten Gesangchors in Amsterdam, Herrn Ant. Averkamp gewidmet. Der lateinische Text dieser herrlichen Dichtung des Jacopone da Todi stimmt nicht in allen Versen mit dem der liturgischen Bücher überein. Was die Komposition als solche anbelangt, so wechseln ganz einfache, homophon und harmonisch gedachte Strophen mit sehr chromatischen und durch Stimmenteilung 5-, 6- und 8-stimmig anwachsenden Sätzen ab. Der Autor bemühte sich durch Tonmalerei den Textausdruck zu erhöhen und ist um kein Mittel der Modulation, des Rhythmuswechsels und dynamischer Effekte verlegen. Den Zweck, durch Äusserlichkeiten zu überraschen, hat er auf Kosten des reinen Satzes ohne Zweifel erreicht, dass aber die grellsten Tonfarben von ff bis pp nebeneinander gesetzt sind, will dem Referenten durchaus nicht behagen; auch findet er den Farbenapparat für die Worte paradisi gloria, am Schlusse der durchkomponierten Sequenz, der von pp, cresc. bis ƒ, decrcsc. bis pp und dann zu- und abnehmend bis ppp für sieben Takte in Anspruch genommen ist, nicht nur unpassend, sondern hier auch unnatürlich. Solche Linien führen nicht zur Paradiesesherrlichkeit.

Musica Sacra (Dr. F. X. Haberl), 15 maart 1898

pdf Alle recensies voor RC 34 Stabat mater dolorosa