english | nederlands

RC 72 Geistliches Lied (“Wenn ich ihn nur habe”)

tekstbron

Novalis Schriften Vol. II (Berlin: G. Reimer, 1837 5th edition), 27-28

eerste uitvoering

21 november 1906 Amsterdam, Concertgebouw

uitgaven

  • Geistliches Lied (N° 5 aus Novalis’ “Geistliche Lieder”) Alsbach & Co, G. (Amsterdam) 27073837
  • No. 1 of Zwei Geistliche Lieder (Novalis) für eine Sopranstimme und Orchester, 1-20 Donemus/ADF 5689689

  • Geistliches Lied (“Wenn ich ihn nur habe”)
  • Novalis
  • sopraan en orkest
  • 13 oktober 1906 - 22 oktober 1906
  • duur 5:35

In het najaar van 1906 kon Diepenbrock zich verheugen over veel belangstelling voor zijn muziek. Dankzij de inspanningen van de in Duitsland werkzame dirigent en componist Jan Ingenhoven kwam zijn werk ook daar tot klinken. In Mannheim leidde Ingenhoven op 18 september het Münchener Kaim-Orchester in Vondels vaart naar Agrippine (RC 64) met Gerard Zalsman als solist. Op 17 november volgde in München een uitvoering van Diepenbrocks in februari van dat jaar voltooide Tongedicht für grosses Orchester mit Baritonsolo Im grossen Schweigen (RC 67), eveneens met Zalsman. Op dezelfde datum zong de sopraan Aaltje Noordewier-Reddingius in Den Haag Diepenbrocks Hymne an die Nacht “Gehoben ist der Stein” (RC 49), voor haar op tekst van Novalis geschreven, met het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg. Het programma werd in de dagen daarna in Arnhem en Haarlem herhaald. …meer >

Geistliches Lied (incipit)


In het najaar van 1906 kon Diepenbrock zich verheugen over veel belangstelling voor zijn muziek. Dankzij de inspanningen van de in Duitsland werkzame dirigent en componist Jan Ingenhoven kwam zijn werk ook daar tot klinken. In Mannheim leidde Ingenhoven op 18 september het Münchener Kaim-Orchester in Vondels vaart naar Agrippine (RC 64) met Gerard Zalsman als solist. Op 17 november volgde in München een uitvoering van Diepenbrocks in februari van dat jaar voltooide Tongedicht für grosses Orchester mit Baritonsolo Im grossen Schweigen (RC 67), eveneens met Zalsman. Op dezelfde datum zong de sopraan Aaltje Noordewier-Reddingius in Den Haag Diepenbrocks Hymne an die Nacht “Gehoben ist der Stein” (RC 49), voor haar op tekst van Novalis geschreven, met het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg. Het programma werd in de dagen daarna in Arnhem en Haarlem herhaald.

Die hele herfst arbeidde Diepenbrock naarstig aan de orkestratie van een drietal pianoliederen ten behoeve van twee andere voor november geplande concerten door Aaltje Noordewier met het Concertgebouworkest, waarop zij in totaal vijf orkestliederen van zijn hand mocht presenteren. Alvorens het sonnet Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen (RC 41/73) en het Lied der Spinnerin (RC 42/75) aan te pakken, nam hij Wenn ich ihn nur habe onder handen, het eerste van de twee in 1898 op teksten van Novalis gecomponeerde Geistliche Lieder.

De oorspronkelijke orgelbegeleiding van Wenn ich ihn nur habe (RC 45) heeft Diepenbrock omgewerkt tot een instrumentatie voor klein orkest, met een tweevoudige bezetting van houtblazers plus basklarinet, 4 hoorns, pauken en strijkers. Het houtblazerskoloriet, vaak met soli van hobo’s en klarinetten, is goed benut, in subtiele dynamische schakeringen om de zangpartij niet te overstemmen. De strijkers spelen regelmatig gediviseerd en soms con sordino, met ijle fluitklanken in het hoge register.

Op 21 november 1906 heeft het Concertgebouworkest met Aaltje Noordewier als soliste Wenn ich ihn nur habe ten doop gehouden, samen met het al in 1902 geïnstrumenteerde Wenige wissen das Geheimnis der Liebe (RC 58); de volgende dag kwamen de drie andere liederen aan bod. Mede door de tamelijk overladen agenda van die maand had Mengelberg, zoals Elisabeth Diepenbrock na het concert in haar dagboek schreef, de liederen slecht gestudeerd met het orkest:

De voorbereiding was allerellendigst, geen repetitie bijna, even doorspelen voor de fouten, Mengelberg er niet in, niets geen samenhang. Wenn ich ihn nur habe mislukte geheel, de tweede, Wenige wissen das Geheimnis der Liebe, ging beter, dat was wel heerlijk om te hooren en had veel succes. (BD V:267)

Diepenbrock zelf meldde over de slordige aanpak aan Johanna Jongkindt:

Het orkest begreep er weer niets van. Soms bleven er juist die spelen moesten weg, en hoorde men alleen een paar bassen brommen. De indruk was mat; c’est à refaire. Alleen “Wenige wissen” klonk ondanks de fouten en wegblijverijen geweldig en sleepte het publiek mee. (BD V:271)

De recensenten echter konden in hun bespreking van het concert niet verhelen dat geen van beide composities hen had overtuigd.

Bijna tien jaar later heeft Diepenbrock Wenn ich ihn nur habe nogmaals ter hand genomen, resulterend in een zetting met blaaskwintet en contrabas (zie RC 125).

Désirée Staverman



Wenn ich ihn nur habe,
Wenn er mein nur ist,
Wenn mein Herz bis hin zum Grabe
Seine Treue nie vergißt:
Weiß ich nichts von Leide,
Fühle nichts als Andacht, Lieb’ und Freude.

Wenn ich ihn nur habe,
Laß ich alles gern,
Folg’ an meinem Wanderstabe
Treugesinnt nur meinem Herrn;
Lasse all die Andern
Breite, lichte, volle Straßen wandern.

Wenn ich ihn nur habe,
Schlaf ich fröhlich ein.
Ewig wird zu süßer Labe
Seines Herzens Flut mir sein,
Die mit sanftem Zwingen
Alles wird erweichen und durchdringen.

Wenn ich ihn nur habe,
Hab’ ich auch die Welt;
Selig wie ein Himmelsknabe,
Der der Jungfrau Schleier hält.
Hingesenkt im Schauen
Kann mir vor dem Irdischen nicht grauen.

Wo ich ihn nur habe,
Ist mein Vaterland,
Und es fällt mir jede Gabe,
Wie ein Erbteil in die Hand.
Längst vermißte Brüder
Find’ ich nun in seinen Jüngern wieder.


  • A-58(1) Geistliches Lied ‘Wenn ich ihn nur habe’

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11
    • 12
    • 13
    • 14
    • 15
    • 16
    • 17
    • 18
    • 19

    A-58(1) with dedication Aan Aaltje Noordewier Reddingius and dated on the last page gecomponeerd Nov. 1898 geinstr. 13-22 October 1906

    • 13 oktober 1906 – 22 oktober 1906
    • opdracht: Aan Aaltje Noordewier Reddingius
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: 19

  • Geistliches Lied (N° 5 aus Novalis’ “Geistliche Lieder”)

    1928 Alsbach & Co, G. (Amsterdam)
  • No. 1 of Zwei Geistliche Lieder (Novalis) für eine Sopranstimme und Orchester, 1-20

    1954 Donemus/ADF

21 nov 1906: Eerste van twee concerten met een vijftal werken van Diepenbrock, uitgevoerd door Aaltje Noordewier-Reddingius en het Concertgebouw-Orkest onder leiding van Willem Mengelberg in het Concertgebouw te Amsterdam. Op dit eerste concert worden de Zwei geistliche Lieder voor sopraan en orkest in première gegeven: Wenn ich ihn nur habe en Wenige wissen das Geheimnis der Liebe (RC 58). Voorts bestaat het programma uit de inleiding tot de derde acte van Lohengrin, de aria van Elisabeth uit Tannhäuser, de ouverture Alceste van Gluck, Et incarnatus est uit de Mis in c-moll van Mozart, het Larghetto uit Mozarts klarinetkwintet, en na de pauze de Zesde symfonie van Beethoven. Op 22 november zal de eerste uitvoering plaatsvinden van de georkestreerde versies van het Lied der Spinnerin (RC 75), Zij sluimert (RC 60) en Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen (RC 73).

Boven de zangteksten zijn ongesigneerde toelichtingen afgedrukt, kennelijk van de hand van Diepenbrock. De tekst over dit lied luidt:

Op verzoek van Mevr. Noordewier voor een kerkconcert gecomponeerd voor Sopraan en Orgelbegeleiding in 1898, thans eveneens op verzoek van haar door den componist geïnstrumenteerd voor klein orkest (strijkers, houtblazers, hoorns en pauken). Grondvorm die van het “Strophenlied” (coupletvorm), maar met variaties. De motivische kiem van het lied ligt in de 3 eerste tonen der zangstem.

Ook twee liederen van Diepenbrock hoorden wij dien avond: twee “Geistliche Lieder” (het vijfde, Wenn ich ihn nur habe en het dertiende, Wenige wissen das Geheimnis der Liebe) van Novalis, al jaren geleden gecomponeerd voor sopraan met orgelbegeleiding, maar nu op verzoek van de zangeres door den componist geïnstrumenteerd; het eene (evenals bijna al de “Geistliche Lieder”) gedicht in strophen, het ander zonder rijm en in vrije rhythmen, zoodat Diepenbrock het eerste ook als “strophenlied”, zij 't dan met enkele wijzigingen in som­mige coupletten, schreef, en aan het andere, de Hymne, den doorgecomponeerden liedvorm gaf. Heeft Novalis bij het Wenn ich ihn nur habe aan het lied der gemeente gedacht, in het Wenige wissen das Geheimnis der Liebe bleef hij buiten den vorm van het oude kerkelijk lied; en zoo kon ook de componist, die sterk gevoel en be­grip van stijl heeft, vrijer in opvatting en verklanking zijn in de Hym­ne, in die welluidende verzen, vol schoone woorden over avondmaalssymboliek, doch zonder tastbaren samenhang; associaties van ijle ge­dachten in deze Hymne, die ons niet klaarder is mèt de acht regels die Diepenbrock er uit heeft gelicht, en die zoo weinig helderder ons werd door zijn zoo innerlijke muziek. Vergde de ingewikkelde instrumen­tale “begeleiding” niet te veel van onze aandacht, die de gezongen woorden reeds goeddeels opeischten? Iets meer indruk behield ik van het andere “Geistliche Lied”, al heb ik de nuchtere vraag niet kunnen onderdrukken, waarom elke laatste regel der coupletten (behalve van het vierde) door 'n instrumentale fraze afgescheiden werd; dit leek mij niet gemotiveerd en bij iemand als Diepenbrock verwonderlijk.

Algemeen Handelsblad (S.Z. [= W.N.F. Sibmacher Zijnen]), 23 november 1906

 

pdf Alle recensies voor RC 72 Geistliches Lied (“Wenn ich ihn nur habe”)