english | nederlands

RC 61 Ballade (“Ils ont fermé le monastère”)

tekstbron

Charles Daniélou, Ballade, in La Libre Parole d.d. 25 June 1903

uitgaven

  • Complete Songs for Solo Voice and Piano Vol. 13 Donemus / Alphons Diepenbrock Fonds 145788479
  • Diepenbrock Album B/M Vol. II

  • Ballade (“Ils ont fermé le monastère”)
  • Daniélou, Charles
  • bariton en piano
  • 26 juni 1903
  • duur 4:00

Met zijn Ballade tekende de Franse politicus, dichter en romanschrijver Charles Daniélou (1878-1953) fel protest aan tegen de sluiting van de kloosters die in zijn land in 1902 had plaats gehad – een ingrijpend gebeuren waardoor ook Diepenbrock was geschokt. Daags na publicatie van het gedicht in La Libre Parole van 25 juni 1903 componeerde hij op Daniélou’s verzen het eerste strijdlied in zijn oeuvre. (Tijdens de Eerste Wereldoorlog zouden er nog verscheidene volgen; zie RC 122, 123, 131 en 135.) …meer >

Ballade (incipit)


Met zijn Ballade tekende de Franse politicus, dichter en romanschrijver Charles Daniélou (1878-1953) fel protest aan tegen de sluiting van de kloosters die in zijn land in 1902 had plaats gehad – een ingrijpend gebeuren waardoor ook Diepenbrock was geschokt. Daags na publicatie van het gedicht in La Libre Parole van 25 juni 1903 componeerde hij op Daniélou’s verzen het eerste strijdlied in zijn oeuvre. (Tijdens de Eerste Wereldoorlog zouden er nog verscheidene volgen; zie RC 122, 123, 131 en 135.)

De confiscatie door de staat van de kloosters en de verdrijving van de monniken was het sluitstuk van de felle antiklerikale politiek die rond 1900 Frankrijk in zijn greep had. Op 7 juni 1902 trad onder leiding van de radicale politicus Émile Combes (1835-1921) een nieuw kabinet aan dat reeds op 27 juni een decreet uitvaardigde waarin werd bevolen tot de sluiting van meer dan 2500 confessionele (voornamelijk katholieke) scholen. Een maand later raakten in Parijs voor- en tegenstanders van deze maatregel slaags met elkaar. Diepenbrock volgde de verwikkelingen met afgrijzen en verzuchtte op 29 juli 1902 in een brief aan W.G. Hondius van den Broek:

Hoe is het mogelijk op ‘vreedzame’ wijze te ‘protesteeren’ tegen machten als die welke op ’t oogenblik onder leiding van een Combes in Frankrijk werkzaam zijn? (BD III:439)

Met de verschijning, 11 maanden later, van Daniélou’s Ballade diende zich evenwel een gelegenheid aan voor Diepenbrock om zijn afwijzing tot uitdrukking te brengen.

In zes van de zeven vierregelige strofen van het gedicht wordt gerouwd om het verlies dat de verdrijving van de monniken betekent:

Het klooster waar jij, wijze monnik, je gebeden deed, is gesloten uit haat jegens het sobere leven in de vredige sfeer van het convent. De bandieten die men ministers noemt, willen niet langer het Angelus horen luiden uit de klokkentoren van de kapel. Ondanks dat zij je uit je vaderland hebben verdreven, bad je nog welwillend voor hen tot Maria en haar Zoon. Maar heden ten dage heft je stem geen Oremus of Ave Maria aan onder de gewelven. En men hoort niet meer het kenmerkende geluid van je sandalen op het plaveisel, terwijl de stad der tirannen slaapt onder de donkere hemel van de nacht die hen bedrukt.

De laatste strofe brengt de ommekeer:

Monnik, als al die misdadigers door ons zijn verdreven, zul jij – trouw aan het oude convent – terugkeren en voor hen bidden in je kapel.

Diepenbrock opent strofe 1, 3 en 5 met een korte, melancholisch gestemde inleiding van de piano waarin de hoofdmelodie wordt gepresenteerd die vele malen in de zangstem klinkt. De heftige muziek van het begin van strofe 2 (“Et ces bandits que l’on appelle des ministres”), waar Bes-groot plots naar d-klein moduleert, komt letterlijk terug in de vierde en zesde strofe, maar met een ander vervolg. Daniélou’s strijdlustige woorden in de laatste strofe gaan in Diepenbrocks compositie gepaard met een overgang naar G-groot en het tweemaal citeren in de pianopartij van de Marseillaise, het vrijheidslied par excellence.

In maart 1905 nam Diepenbrock zijn Ballade op in een lijstje van titels dat hij muziekuitgever A.A. Noske ter hand stelde als voorstel om te publiceren. (BD IV:348) Blijkbaar beschouwde de auteur dit werk als een kunstlied – een mening die alleszins gerechtvaardigd is.

Ton Braas



Ils ont fermé le monastère
Où tu priais, moine savant.
Ils ont haï ta vie austère
Dans la grande paix du couvent.

Et ces bandits que l’on appelle
Des ministres, ne veulent plus
Entendre sonner l’Angélus
Dans le clocher de ta chapelle.

Ils t’ont chassé de ta patrie,
Et sur ton chemin douloureux
Tu priais encore Marie
Et son Fils très clément pour eux.

Mais aujourd’hui ta voix n’épelle
Ni les Oremus, ni l’Avé,
Et ton chant reste inachevé
Sous les arceaux de ta chapelle.

Et l’on n’entend plus sur les dalles
Avec le bruit sec qu’elles font
Lorsque tu passe, tes sandales,
Tandis que sous le ciel profond

De la nuit qui pèse sur elle,
La cité de tes tyrans dort.
On ne voit plus des gerbes d’or
Dans les vitraux de ta chapelle.

Moine, quand tous ces scélérats
Seront chassés par nous, fidèle
Au vieux couvent tu reviendras
Prier pour eux dans ta chapelle.

  • A-40(4) for baritone in G minor

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4

    A-40(4) for baritone in G minor, signed and dated on the last page A Diepenbrock / 26 Juni 1903

    • 26 juni 103
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: 4
  • A-48(3) for baritone (or mezzo-soprano) in F minor

    A-48(3) for baritone (or mezzo-soprano) in F minor, dated and signed on the last page Amsterdam 26 Juin 1903 / A. Diepenbrock

    • 26 juni 1903
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend

  • Complete Songs for Solo Voice and Piano Vol. 13

    1999 Donemus / Alphons Diepenbrock Fonds Krouwel, Dinant
  • Diepenbrock Album B/M Vol. II

    1955 Reeser, Eduard