english | nederlands

RC 22 Stabat mater dolorosa

tekstbron

Remy de Gourmont, Le Latin mystique. Les poètes de l’antiphonaire et la symbolique au moyen âge (Paris: Mercure de France, 1892), 317-319

eerste uitvoering

29 maart 1896 Amsterdam, Mozes en Aäron kerk

uitgaven

  • Sequentia Stabat Mater dolorosa Alsbach & Co, G. (Amsterdam) 1437391418

  • Stabat mater dolorosa
  • Jacopone da Todi
  • mannenkoor a cappella
  • 1 januari 1887 - 31 december 1887
  • duur 10:00

Wanneer precies Diepenbrock aan zijn toonzetting begon van de destijds aan Jacopone da Todi (ca. 1230-1306) toegeschreven tekst, is onbekend. Naar eigen zeggen (BD III:464) moet het in de loop van 1887 zijn geweest, tijdens zijn studie klassieke talen aan de Universiteit van Amsterdam. Zeker is dat hij het stuk in maart 1888 weer opnam, in een paar vrijgemaakte dagen tussen de voorbereidingen van zijn promotie. (BD II:413) Het bleef onvoltooid: acht van de tien zesregelige strofen waren van muziek voorzien; strofe 6 en 7 van het gedicht ontbraken vooralsnog. …meer >

Stabat mater dolorosa (incipit)


Wanneer precies Diepenbrock aan zijn toonzetting begon van de destijds aan Jacopone da Todi (ca. 1230-1306) toegeschreven tekst, is onbekend. Naar eigen zeggen (BD III:464) moet het in de loop van 1887 zijn geweest, tijdens zijn studie klassieke talen aan de Universiteit van Amsterdam. Zeker is dat hij het stuk in maart 1888 weer opnam, in een paar vrijgemaakte dagen tussen de voorbereidingen van zijn promotie. (BD II:413) Het bleef onvoltooid: acht van de tien zesregelige strofen waren van muziek voorzien; strofe 6 en 7 van het gedicht ontbraken vooralsnog.

Diepenbrock koos voor een homofone zetting, naar voorbeeld van het dubbelkorige, achtstemmige Stabat mater van Palestrina. Een teken van Diepenbrocks bewondering is dat hij de akkoordopeenvolging die de zestiende-eeuwse meester voor de aanhef gebruikte, citeerde aan het slot van zijn eigen compositie (in de toonsoort van As-groot):

Bij het componeren heeft Diepenbrock niet de Stabat mater-tekst gebruikt die in de rooms-katholieke liturgie wordt gehanteerd, maar het gedicht overgenomen zoals hij het bij Palestrina had aangetroffen. Hij kon zich niet verenigen met de wijzigingen die aan het begin van de zeventiende eeuw – bij de herziening van het Breviarum Romanum – waren aangebracht. Diepenbrocks ‘verantwoording’ voor zijn keuze van Palestrina’s lezing is te vinden in een brief uit juni 1898 aan mgr. J.A.S. van Schaik:

Had ik nu de compositie voor liturgische doeleinden bestemd, dan zou ik mij ook aan den voorgeschreven tekst hebben gehouden. Ik heb daaraan niet gedacht […] maar alleen getracht het gedicht in zijn schoonsten vorm, zoo goed ik kon muzikaal te illustreeren. Daar ik nu van mijn vak niet musicus maar filoloog ben, heb ik tegen de officieele lezing verschillende bezwaren. Ik vind ze namelijk allen doortrokken van den geest der ‘Renaissance’, die bij de herziening der liturgische boeken in den aanvang der 17e eeuw voorzat.

Volgens Diepenbrock waren in een tijd dat men te veel op Cicero en Horatius lette verscheidene verzen ten onrechte aangepast aan het ritme van het Latijnse proza. Hij gaf de voorkeur aan de oorspronkelijke woorden:

“Inflammatus et accensus” is naïef en grandioos hoewel onbeholpen. “Flammis ne urar” is correct maar zwak. Vooral de laatste strophe “Fac me cruce custodiri, Morte Christi praemuniri, Confoveri gratia” dunkt mij echt Franciscaansch gedacht. Wat daarvoor in de plaats is gekomen, pseudoklassiek en al te romeinsch (“palma victoriae, da ... me venire”). Palestrina heeft zich in het 12-stemmige, en ook in het 8-stemmig Stabat van denzelfden tekst bediend. Ook dit vind ik een bewijs dat hier een traditie aanwezig was. (BD III:50)

In het concept van deze brief spreekt Diepenbrock van de naive onbeholpenheid, die zoo vaak het werk der groote mystici eigen is. (BD III:463) Hij zag zijn mening bevestigd in de in 1892 verschenen bloemlezing van herontdekte teksten van kerkelijke gezangen, hymnen en cantica: Le Latin mystique. Les poètes de l’antiphonaire et la symbolique au moyen âge van Remy de Gourmont.1

Uitvoeringen

In de Goede Week van 1888, dus kort nadat het werk (in onvolledige vorm) geschreven was, is het Stabat mater dolorosa ten gehore gebracht in een Amsterdamse kerk met een dubbel mannenkwartet. Het klinkend resultaat moet bedroevend zijn geweest; volgens de auteur hadden de zangers zijn stuk te gronde gericht. (BD I:263)

In maart 1891, in de periode van Diepenbrocks werkzaamheid in ’s-Hertogenbosch als leraar in de oude talen aan het stedelijk gymnasium, werd daar een uitvoering van het Stabat mater dolorosa voorbereid door de pas opgerichte liedertafel ‘Oefening en Uitspanning’ onder leiding van Léon C. Bouman. Het koor echter bleek niet opgewassen tegen de eisen die Diepenbrocks harmoniek stelt, en het stuk bleef liggen. (BD I:266)

Na de omwerking, begin 1896, naar gemengde bezetting (zie RC 34) heeft de oorspronkelijke zetting voor mannenkoor voor Diepenbrock blijkbaar niet aan geldigheid ingeboet, aangezien zij – inclusief de strofen 6 en 7 – werd uitgevoerd tijdens de liturgische dienst op Palmzondag (29 maart) 1896 in de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam onder leiding van Anton Averkamp. Dezelfde dirigent bracht vijf dagen later de versie voor gemengd koor in première. Ook heeft Diepenbrock in 1901 de mannenkoorversie ter beschikking gesteld aan P.J. Jos Vranken om op Goede Vrijdag van dat jaar (5 april) een officiële uitvoering mogelijk te maken tijdens de liturgie in passione et morte Domini in de kathedrale kerk van het aartsbisdom Utrecht.

In 1930 is het werk door Alsbach uitgegeven, nadat op 23 februari van dat jaar een nihil obstat was verleend voor “buiten-liturgisch gebruik” door de ‘Bisschoppelijke Commissie tot keuring van kerkelijk-muzikale compositiën’.

Ton Braas

1 Diepenbrock was in het bezit van nr. 87 van 220 genummerde en door de auteur gesigneerde exemplaren; datum van aanschaf: 28 oktober 1892.

 



Vol smarten stond de Moeder
wenende onder het kruis
waaraan haar Zoon hing.

Haar zuchtend, bedroefd
en lijdend hart werd
als met een zwaard doorstoken.

O hoe treurig en terneergeslagen
was die gezegende Moeder
van de Eengeborene.

O hoe treurde en leed
die goede Moeder toen zij de smarten
zag van haar goddelijke Zoon.

Wie zou niet wenen,
als hij de Moeder van Christus
in zulk een foltering zag?

Wie zou niet mede treuren
bij het zien van Christus' Moeder,
zo diep bedroefd bij haar Zoon?

Om de zonden van zijn volk
zag zij Jesus aan geseling
en marteling prijsgegeven.

Zij zag haar lieve Zoon
de geest geven
en geheel verlaten sterven.

Ach Moeder, fontein van liefde,
laat mij de grootheid van Uw lijden
gevoelen, opdat ik met U treure.

Maak mijn hart brandend van liefde
voor Christus mijn God,
om Hem te behagen.

Heilige Moeder, wil toch
de wonden van de Gekruisigde
diep in mijn hart drukken.

Laat mij delen in de pijnen
van uw doorwonde Zoon,
die voor mij heeft willen lijden.

Laat mij eerbiedig met u
wenen en mede lijden met de Gekruisigde,
zolang ik zal leven.

Ik verlang zeer onder het kruis
bij u te staan
om samen met u te treuren.

Onvolprezen Maagd der maagden,
wees voor mij niet hard,
maar laat mij met u wenen.

Laat mij de dood van Christus dragen,
maak mij deelgenoot van zijn lijden,
laat mij zijn wonden voelen.

Laat mij door de wonden van uw Zoon
gekwetst worden en maak mij dronken
van zijn kruis en bloed.

Verdedig mij, o Maagd, op de dag
des oordeels, om niet in de vlammen
der hel te worden neergestort.

Laat mij door het kruis beschermd worden
en door Christus' dood gesterkt.
Laat zijn gunst mij verwarmen.

Als mijn lichaam zal sterven,
geef dan mijn ziel
de glorie van het paradijs.

Stabat mater dolorosa
juxta crucem lacrymosa
dum pendebat Filius.

Cujus animam gementem
contristatam et dolentem
pertransivit gladius.

O quam tristis et afflicta
fuit illa benedicta
mater Unigeniti.

Quae maerebat et dolebat
pia mater dum videbat
nati poenas inclyti.

Quis est homo qui non fleret
matrem Christi si videret
in tanto supplicio?

Quis non posset contristari
piam matrem contemplari
dolentem cum Filio?

Pro peccatis suae gentis
vidit Jesum in tormentis
et flagellis subditum.

Vidit suum dulcem Natum
moriendo desolatum
dum emisit spiritum.

Eja mater fons amoris
me sentire vim doloris
fac ut tecum lugeam.

Fac ut ardeat cor meum
in amando Christum Deum
ut sibi complaceam.

Sancta mater istud agas
crucifixi fige plagas
cordi meo valide.

Tui Nati vulnerati
tam dignati pro me pati
poenas mecum divide.

Fac me tecum pie flere
crucifixo condolere
donec ego vixero.

Juxta crucem tecum stare
te libenter sociare
in planctu desidero.

Virgo virginum praeclara
mihi jam non sis amara
fac me tecum plangere.

Fac ut portem Christi mortem
passionis fac consortem
et plagas recolere.

Fac me plagis vulnerari
cruce hac inebriari
et cruore Filii.

Inflammatus et accensus
per te virgo sim defensus
in die judicii.

Fac me cruce custodiri
morte Christi praemuniri
confoveri gratia.

Quando corpus morietur
fac ut animae donetur
paradisi gloria.

At, the Cross her station keeping,
stood the mournful Mother weeping,
close to Jesus to the last.

Through her heart, His sorrow sharing,
all His bitter anguish bearing,
now at length the sword has passed.

O how sad and sore distressed
was that Mother, highly blest,
of the sole-begotten One.

Christ above in torment hangs,
she beneath beholds the pangs
of her dying glorious Son.

Is there one who would not weep,
whelmed in miseries so deep,
Christ's dear Mother to behold?

Can the human heart refrain
from partaking in her pain,
in that Mother's pain untold?

Bruised, derided, cursed, defiled,
she beheld her tender Child
All with scourges rent:

For the sins of His own nation,
saw Him hang in desolation,
Till His spirit forth He sent.

O thou Mother! fount of love!
Touch my spirit from above,
make my heart with thine accord:

Make me feel as thou hast felt;
make my soul to glow and melt
with the love of Christ my Lord.

Holy Mother! pierce me through,
in my heart each wound renew
of my Savior crucified:

Let me share with thee His pain,
who for all my sins was slain,
who for me in torments died.

Let me mingle tears with thee,
mourning Him who mourned for me,
all the days that I may live:

By the Cross with thee to stay,
there with thee to weep and pray,
is all I ask of thee to give.

Virgin of all virgins blest!,
Listen to my fond request:
let me share thy grief divine;

Let me, to my latest breath,
in my body bear the death
of that dying Son of thine.

Wounded with His every wound,
steep my soul till it hath swooned,
in His very Blood away;

Be to me, O Virgin, nigh,
lest in flames I burn and die,
in His awful Judgment Day.

Christ, when Thou shalt call me hence,
by Thy Mother my defense,
by Thy Cross my victory;

While my body here decays,
may my soul Thy goodness praise,
safe in paradise with Thee. Amen.

 


  • A-3(1) Stabat mater dolorosa

    semi-autograph A-3(1) with autograph corrections and dated on the last page (1887)

    • 1 januari 1887 – 31 december 1887
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend
  • A-80(6) Stabat mater dolorosa

    copy A-80(6)

    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend
  • A-80(7) Stabat mater dolorosa

    semi-autograph A-80(7) with supplementary sheet of strophe 5 (which had been forgotten by the copyist) in autograph

    • 1 januari 1887 – 31 december 1887
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend
  • SL-7 Stabat mater dolorosa

    SL-7 signed and dated on the last page Amsterdam 27 Maart 1888 / sHertogenbosch 2 April 1890 with dedication Aan Droesem van A Diepenbrock 7 Nov 92

    • 27 maart 1888 – 2 april 1890
    • opdracht: Aan Droesem van A Diepenbrock
    • pagina's: onbekend
  • SO-4 Stabat Mater Dolorosa

    copy in the possession of H. Völlmar

    • bewaarplaats: H. Völlmar
    • pagina's: onbekend

  • Sequentia Stabat Mater dolorosa

    1930 Alsbach & Co, G. (Amsterdam)

— mrt 1901:  In Van onzen Tijd (jrg. I no. 6, blz. 204-208) verschijnt een artikel van P.J. Jos. Vranken, getiteld: “Alphons Diepenbrock's werken”. Over het Stabat mater dolorosa voor gemengd koor (RC 34) schrijft hij:

Zeer goed zou dit werk – het Stabat mater dolorosa – tijdens de oefening van den H. Kruisweg in de kerk op zijn plaats zijn, maar hier doet zich weer de moeielijkheid voor, dat de sopraan- en alt-partij zoo goed als onmogelijk met knapenstemmen zijn te bezetten; trouwens geloof ik dat de componist de bovenstemmen absoluut voor vrouwenstemmen bedoeld heeft, en dan nog moet het koor over buitengewone sopraan-stemmen beschikken, wil het werk naar den eisch worden weergegeven. — Bij het bestudeeren van dit diep-gevoeld, machtig kunstwerkje, heb ik me dikwijls afgevraagd, of de componist ook te overreden zou zijn eene zetting voor mannenkoor te schrijven van dit Stabat mater? Indien de toondichter eens overwoog, of de praktische eischen onzer goede kerkkoren in dit geval ook wellicht een doorslaand tegenwicht geven aan de mogelijke artistieke bezwaren van den componist? Mij dunkt, het werk zou zeer goed zijn uit te voeren met een goed geschoold, klein mannenkoor en onze Nederlandsche kerkmuziek-litteratuur zou een kostbaar werk rijker zijn geworden.

pdf Alle recensies voor RC 22 Stabat mater dolorosa