english | nederlands

RC 47 Abendmahlshymne “Wenige wissen das Geheimnis der Liebe”

tekstbron

Novalis Schriften Vol. II (Berlin: G. Reimer 5th edition 1837), 30-32

eerste uitvoering

19 juli 1902 Nijmegen, St. Stevenskerk

opnamen

  • Memorare KRO 94009

uitgaven

  • Hymne (N° 13 aus Novalis’ “Geistliche Lieder”)

  • Abendmahlshymne “Wenige wissen das Geheimnis der Liebe”
  • Novalis
  • sopraan of tenor en orgel
  • 15 november 1898 - 9 december 1898 | herzien 15 november 1916
  • duur ca. 8:30

Wenige wissen das Geheimnis der Liebe is het tweede van de door Diepenbrock in de herfst van 1898 gecomponeerde Geistliche Lieder uit de gelijknamige bundel van Novalis. Deze hymne is – anders dan de meeste gedichten uit de verzameling – opvallend rijk aan metaforen, met niet zelden een versmelting van erotische gevoelens en mystiek, immers: Het hongeren en dorsten naar menselijke liefde wordt in Wenige wissen in verband gebracht met het nuttigen van brood en wijn tijdens het Heilig Avondmaal.1 Uit Novalis’ tekst heeft Diepenbrock een achttal regels weggelaten: …meer >

Abendsmahlshymne (incipit)


Wenige wissen das Geheimnis der Liebe is het tweede van de door Diepenbrock in de herfst van 1898 gecomponeerde Geistliche Lieder uit de gelijknamige bundel van Novalis. Deze hymne is – anders dan de meeste gedichten uit de verzameling – opvallend rijk aan metaforen, met niet zelden een versmelting van erotische gevoelens en mystiek, immers: Het hongeren en dorsten naar menselijke liefde wordt in Wenige wissen in verband gebracht met het nuttigen van brood en wijn tijdens het Heilig Avondmaal.1 Uit Novalis’ tekst heeft Diepenbrock een achttal regels weggelaten:

Einst ist alles Leib,
Ein Leib,
In himmlischem Blute
Schwimmt das selige Paar.
O! daß das Weltmeer
Schon erröthete,
Und in duftiges Fleisch
Aufquölle der Fels!

Over de betekenis van deze passage is hij te rade gegaan bij de theoloog en filosoof J.D. Bierens de Haan, zoals blijkt uit diens antwoord van 11 december 1898 met een diepgaande beschouwing van het onderwerp. (BD III:89-90)

Diepenbrocks toonzetting voor sopraan en orgel is doorgecomponeerd en voorzien van een voorspel en enkele intermezzi van het orgel dat in dit werk een méér dan begeleidende rol heeft. Het hoofdthema van de zangstem, waarvan de contouren in het voorspel worden geïntroduceerd, bevat de door Diepenbrock graag gebruikte combinatie van twee- en driedelige ritmen. Novalis’ beeldenrijke, duister-gloeiende woorden,2 die Diepenbrock inspireerden tot muzikale tekstschildering, vinden hun weerklank in de chromatische, van gealtereerde akkoorden doordrenkte orgelpartij in een fluctuerend tempo. Zo is de door de geschrapte versregels ontstane leemte na de vraag “Wer kan sagen, daß er das Blut versteht?” ingevuld met een gloedvolle orgelpassage (Più con moto, accel. poco a pocomolto cresc. – allarg.), totdat de sopraan met de zin “Nie endet das süße Mahl” de tweede helft van de hymne aanheft.

Evenals het Geistliches Lied "Wenn ich ihn nur habe" (RC 45) is Wenige wissen geschreven voor en opgedragen aan Aaltje Noordewier-Reddingius. Het was de bedoeling dat zij beide liederen in november 1899 zou presenteren tijdens een concert in de Utrechtse Pieterskerk. Toen echter is alleen Wenn ich ihn nur habe uitgevoerd, omdat Noordewier Wenige wissen lange tijd niet heeft willen zingen vanwege een aversie tegen de tekst die haar niet sympathiek was. (BD III: 431) Later zei Diepenbrock daarover: Haar bezwaren kan ik slechts raden, zeker weet ik ze niet. (BD IV:92)

een Frans-romantisch orgel in gedachten

Wenige wissen das Geheimnis der Liebe klonk voor het eerst op 19 juli 1902 in de Stevenskerk te Nijmegen, gezongen door de tenor Jos. Tijssen, die eerder (2 februari 1900) had meegewerkt aan een uitvoering van enkele van Diepenbrocks a cappella werken. De componist toonde zich na het concert in Nijmegen gematigd enthousiast: Hij heeft het mooi gezongen, het had nóg mooier kunnen zijn, maar de organist en het orgel (beiden wilde ezels)3 werkten tegen. (BD III:431) Het spel van organist W. de Vries vond Diepenbrock ongelooflijk houterig. (BD III:439) Zijn opmerking over het achttiende-eeuwse orgel (gebouwd door Ludwig König) is niet bevreemdend als men zich realiseert dat Diepenbrock voor de begeleiding van de Geistliche Lieder een Frans-romantisch orgel in gedachten had. In een brief uit 1905 schrijft hij, verwijzend naar de orgelpartijen in zijn Missa (RC 27) en Wenige wissen: Die dingen kunnen alleen op die Fransche orgels met die fijne Gambastemmen en tongwerken gespeeld worden, niet op die oude schreeuw- en brulorgels. (BD IV:425)

Diepenbrocks vriend W.G. Hondius van den Broek verbaasde zich na het concert in Nijmegen over het ontbreken van het voor hem cruciale gedeelte van de tekst van Wenige wissen:

Getroffen heeft mij wat u uit de Hymne niet heeft gecomponeerd. Voor het geheele gedicht leek mij altijd zeer kenmerkend de zucht om zóó kras door materie het geestelijke uit te drukken. Vindt u in de niet gecomponeerde regels die zucht ál te sterk? (BD III:436)

Of Diepenbrock die vraag nog heeft beantwoord, blijkt niet uit zijn correspondentie. De uitvoering zal hem in elk geval hebben gestimuleerd om Wenige wissen opnieuw ter hand te nemen en het in het najaar van 1902 te orkestreren (zie RC 58).

een extatisch wonder

In latere jaren heeft Aaltje Noordewier haar bezwaren tegen de tekst laten varen en is Wenige wissen das Geheimnis der Liebe tot haar favoriete liederen gaan behoren. In 1916 vervaardigde Diepenbrock voor haar een afschrift, waarin het lied – nu getiteld Abendmahlshymne – een halve toon lager staat genoteerd en een herziening van het orgelnaspel is te vinden. Tijdens een landelijke tournee met de organist Anton Verhey in de herfst van 1918 zingt zij de hymne zelfs 19 keer, met op het programma ook Mahlers lied Ich bin der Welt abhanden gekommen in een door Diepenbrock in 1916 vervaardigde orgelbewerking (RC 133). Na het concert op 26 september in Utrecht toont de jonge recensent J.S. Brandts Buys zich gegrepen door Wenige wissen:

Dit lied van Diepenbrock is een extatisch wonder. Bij het lezen van den tekst weet een arm scepticus niet of hij dit nu verheven, of eigenlijk nuchter moet vinden. [...] Maar wanneer Diepenbrock in zijn melodie zelf schijnt op en neer te zweven, als een wonderlijke, verliefde, heilige monniksfiguur, een pater Extaticus, zwevend tusschen hemel en aarde, dan beseft een armelijk scepticus dat daar tusschen aarde en hemel en in dit prevelige verzen weelden van mystieke verrukking zijn waarvan hij zelf nooit gedroomd had. (BD X:409)

Désirée Staverman

1 Ton Braas in het booklet bij de CD Memorare (KRO CD 94009).

2 Karakteristiek van Novalis’ taalgebruik door Diepenbrock in zijn artikel ‘Melodie en Gedachte, of de muziek in de intellectueel evolutie’ uit 1891-1892 (zie VG:31).

3 Diepenbrock hanteerde hier het Griekse woord “onagroi”.

 



Wenige wissen
Das Geheimnis der Liebe,
Fühlen Unersättlichkeit
Und ewigen Durst.
Des Abendmahls
Göttliche Bedeutung
Ist den irdischen Sinnen Rätsel;
Aber wer jemals
Von heißen, geliebten Lippen
Atem des Lebens sog,
Wem heilige Glut
In zitternde Wellen das Herz schmolz,
Wem das Auge aufging,
Daß er des Himmels
Unergründliche Tiefe maß,
Wird essen von seinem Leibe
Und trinken von seinem Blute
Ewiglich.

Wer hat des irdischen Leibes
Hohen Sinn erraten?
Wer kann sagen,
Daß er das Blut versteht?

Nie endet das süße Mahl,
Nie sättigt die Liebe sich;
Nicht innig, nicht eigen genug
Kann sie haben den Geliebten.
Von immer zarteren Lippen
Verwandelt wird das Genossene
Inniglicher und näher.

Heißere Wollust
Durchbebt die Seele,
Durstiger und hungriger
Wird das Herz:
Und so währet der Liebe Genuß
Von Ewigkeit zu Ewigkeit.

Hätten die Nüchternen
Einmal gekostet,
Alles verließen sie,
Und setzten sich zu uns
An den Tisch der Sehnsucht,
Der nie leer wird.

Sie erkennten der Liebe
Unendliche Fülle,
Und priesen die Nahrung
Von Leib und Blut.


  • A-6(12) Abendmahlshymne ‘Wenige wissen das Geheimnis der Liebe’ in F minor

    • 1
    • 2
    • 3
    • 4
    • 5
    • 6
    • 7
    • 8
    • 9
    • 10
    • 11

    A-6(12) in F minor, with dedication Aan Aaltje Noordewier-Reddingius and dated on the last page 15 Nov 1916. gecomp. 15 Nov-Dec 1898

    • opdracht: Aan Aaltje Noordewier-Reddingius
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: 11
  • A-34(1) Abendmahlshymne ‘Wenige wissen das Geheimnis der Liebe’

    semi-autograph A-34(1)

    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend
  • A-41(8) Abendmahlshymne ‘Wenige wissen das Geheimnis der Liebe’

    A-41(8) with dedication gecomponeerd voor A. Noordewier-Reddingius and dated on the last page 9 December 1898. Amsterdam (15 Nov – 9 Dec)

    • 15 november 1898 – 9 december 1898
    • opdracht: gecomponeerd voor A. Noordewier-Reddingius
    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend
  • A-86 Abendmahlshymne ‘Wenige wissen das Geheimnis der Liebe’

    copy A-86

    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend
  • A-99(2) Abendmahlshymne ‘Wenige wissen das Geheimnis der Liebe’

    semi-autograph A-99(2)

    • bewaarplaats: Diepenbrock Archief Laren
    • pagina's: onbekend

  • klik voor vergroting

    Memorare

    cd KRO 94009
    Versteeg, Marc ♦ Bartelink, Bernard ♦ Brummelstroete, Wilke te ♦ Overpelt, Robbert ♦ Vocaal Ensemble Markant

    Tracks:

  • Hymne (N° 13 aus Novalis’ “Geistliche Lieder”)

    1939

19 juli 1902 Eerste uitvoering van Wenige wissen das Geheimnis der Liebe door Jos. Tyssen (tenor) en W. de Vries (orgel) op een concert in de Grote of St. Stevenskerk te Nijmegen in het kader van het muziekfeest der Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging. Voorts zingt Tyssen nog twee liederen van Smulders: Wo lauschen deine Thale en Hymnus.

Een groote verrassing gaf Jos.Tijssen. De tekst van de door hem te zingen “stukken”, zooals het programma vermeldt, zou aan den ingang der kerk verstrekt worden. Dit is ook zoo gebeurd, maar toevallig zag ik niet eer dan bij het begin van Tijssen's zang wat dit was. Niet meer of minder dan een voor het publiek nog onbekende hymne van Novalis-Diepenbrock! Nog niet heb ik Tijssen zóo mooi hooren zingen als hij het nu heeft gedaan. Het komt mij voor dat deze kunstenaar tot volle rijpheid van zijn heerlijk talent en zijn rijke gaven is gekomen; nog nimmer was ik ook zoo sterk onder den indruk van het mooie van zijn stem op zich zelf. Dat hij zoo hoog als 't kan geïnspireerd was door wat hij zong, spreekt als van zelf. Zonder eenige voorbereiding voor een werk van Diepenbrock te staan te komen, ontslaat mij als van zelven van wat men een oordeel noemt. Naar 't mij voorkwam sluit deze hymne zich geheel en op de meest waardige wijze aan bij wat we reeds van Diepenbrock bezitten. — Bij de in allergelukkigste overeenstemming met den zin gedeclameerden text – zóo dat de vertolker steeds en in de beste beteekenis mag blijven zingen –, gaat ongestoord een heerlijke begeleiding van een hoogst beminnelijk en beteekenisrijk polyphoon karakter. Of deze oorspronkelijk voor orgel geschreven is? Het textboek is niet geheel betrouwbaar gebleken of anders gezegd onvolledig. De geroutineerde hand, hier wel onmisbaar, is er maar spaarzaam in aan te treffen. Is het dan voor orgel, dan had dunkt mij de organist wat meer sprekend kunnen zijn.Wetende hoe meesterlijk Diepenbrock instrumenteert, hoop ik maar dat de orehestbewerking reeds bestaat en dat spoedig een her­haling dezer voordracht is te verwachten. Nu was het genot voor mij van een bizonderen aard, gering zeker niet, maar eenigszins vaag. De muziek van genieën richt zich, zooals ze het kind is van gevoel... en verstand, ook tot het gevoel en verstand van den hoorder. Door de omstandigheden (totaal gemis aan voorbereiding) overheerschte nu bij mij toen ik het werk hoorde het gevoel zoo goed als geheel het verstand. Het genot was er wellicht niet minder om maar van het geven van eenige rekenschap kwam niet veel in. Zoo hoort nu – denk ik – het groote publiek (natuurlijk het waarlijk belangstellende) en geniet dikwijls meer dan de ingewijden; tenzij juist bij de werken der genieën (en met zoo één hadden we hier ontegenzeggelijk te doen) die hoe beter ook bezien of gehoord des te meer verheffen en doen genieten.

Weekblad voor Muziek (H.N. [= Hugo Nolthenius]), 26 juli 1902

pdf Alle recensies voor RC 47 Abendmahlshymne “Wenige wissen das Geheimnis der Liebe”